» 18 november 2017

Schiedam en anderen: niet morrelen aan geluidsruimte vliegveld

Redactie | 09-05-2017
SCHIEDAM - Schiedam, Rotterdam en Lansingerland en de provincie Zuid-Holland willen niet meer vluchten toelaten tot het Rotterdamse vliegveld. De zogenaamde 'geluidsruimte' moet daarom wordt gehandhaafd. De gemeenten en provincie zijn wel voor onderzoek om te kijken of de vluchten met trauma- en politiehelikopters kunnen worden verplaatst naar een ander vliegveld.

Als dit maatschappelijke helikopterverkeer niet meer van en naar het voormalige Zestienhoven hoeft plaats te vinden, is er ruimte voor om binnen die bestaande geluidsruimte, extra commercieel vliegverkeer mogelijk te maken.

Dat is het advies dat de colleges van Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland en burgemeester en wethouders van de drie gemeenten, de zogeheten Bestuurlijke Regiegroep Rotterdam The Hague Airport (BRR), aan staatssecretaris Sharon Dijksma van Infrastructuur en Milieu willen geven. De bewindsvrouw moet een besluit nemen over het al dan niet aanpassen van de geluidsruimte om het vliegveld te kunnen laten groeien in het aantal commerciële vluchten. Het advies zal de komende weken aan Provinciale Staten en de gemeenteraden worden voorgelegd. Begin juli moet dit leiden tot een definitief advies aan de staatssecretaris. Het vliegveld zelf opteert voor het verruimen van de geluidsruimte, om meer vluchten te kunnen herbergen.

De BRR heeft naar eigen zeggen in zijn advies het draagvlakonderzoek van verkenner Joost Schrijnen nadrukkelijk betrokken. Schrijnen adviseerde onderzoek te doen naar het verplaatsen van de trauma- en politiehelikopters naar een alternatieve locatie in de regio, omdat dit fors groeiende verkeer de overblijvende ruimte voor het commerciële verkeer beperkt. Schrijnen stelde ook voor om vijf andere doelen na te streven: een toename van het aandeel zakelijke bestemmingen; een toename van de economische meerwaarde van het vliegveld voor de regio; verder beperken van de hinder en verbetering van de communicatie met de gehinderden; verbetering van de leefomgevingskwaliteit; versteviging van bestuur en toezicht op de luchthaven.

De BRR wil de onderzoeksresultaten naar een eventuele uitplaatsing niet afwachten en gaat nu al met RTHA en regionale partijen in gesprek om afspraken te maken over hoe deze doelen te bereiken. De regiegroep adviseert daarom de minister zowel met maatregelen voor als na het verplaatsen van de helikopters. Zo zou er al snel werk gemaakt moeten worden van de handhavingspunten waarop de geluidsruimte wordt gestoeld. "Onder de huidige totale vergunde geluidsruimte verstaan wij één set van grenswaarden (voor zowel het verkeer van de vliegtuigen als de helikopters met een maatschappelijke functie - red.) op de handhavingspunten voor al het vliegverkeer. Deze set van grenswaarden dient nog wel bepaald te worden met toevoeging van de extra gewenste handhavingspunten en met toepassing van de meest actuele rekenmethoden, waarbij de afgelegde vliegpaden van al het vliegverkeer waarheidsgetrouw worden gemodelleerd", aldus de BRR.

De groep merkt daarbij  het volgende op: "De onzekerheid over de omvang van het toekomstige maatschappelijk helikopterverkeer weerhoudt ons ervan u twee gescheiden geluidsruimtes te adviseren. Aangezien er geen handhaving plaats vindt van maatschappelijk helikopterverkeer zou dit namelijk betekenen dat de totale geluidsruimte feitelijk groeit."

Het belang van de inzet van trauma- en politiehelikopter is voor de locale en regionale bestuurders 'evident'. "Tegelijkertijd wil de BRR de ogen niet sluiten voor het aandeel in de geluidshinder die de toenemende inzet van dit verkeer met zich meebrengt." De BRR zegt het daarom van belang te vinden dat er oplossingen gevonden worden om een verdere toename van deze hinder te begrenzen. "Er moet voor gezorgd worden dat het aanwezige draagvlak voor dit verkeer behouden blijft. Bovendien mag de groei van dit
verkeer géén wissel trekken op de doorontwikkeling naar een sterkere economische positie van de luchthaven, en op reeds lopende ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van de luchthaven." Juist vanwege het belang van de economische positie van de luchthaven stelt de regiogroep er vanuit te gaan dat de minister een een voortrekkersrol neemt in de zoektocht naar alternatieve locaties voor een helikopterluchthaven.

Verder vraagt de BRR de minister ook om speciale aandacht voor de nachtvluchten. Beperking en handhaafbaarheid van de nachtvluchten telt voor omwonenden en andere partijen zwaar. "Momenteel wordt niet gehandhaafd op aantallen vliegbewegingen in de nacht", aldus de BRR. "Het verkeer in de nachtperiode wordt alleen gemonitord." 

Opmerkelijk genoeg daalt het aantal nachtvluchten de afgelopen jaren, met uitzondering van het maatschappelijke helikopterverkeer. Het bevindt zicht volgens de BRR de laatste jaren 'ruim onder het streefgetal van 849 vliegbewegingen'. "De BRR verzoekt u daarom een maximum aantal vliegbewegingen in de nachtperiode (23.00 – 7.00 uur) vast te leggen in het nieuwe luchthavenbesluit, zodat dit aantal ook kan worden gehandhaafd", aldus het advies aan de minister. De regiogroep neemt alvast een voorschot: "Wij stellen een handhavingsniveau voor van circa 600-650 commerciële nachtvluchten. Dit komt overeen met het gemiddelde over de periode november 2014 tot en met oktober 2016."


« Terug