'We doen het zelf', met een beetje hulp

11-08-2016 Nieuws Ted Konings

Sjaak Bijloo legt de deelnemers aan de Summerschool de gang van zaken in de Hof in Zuid uit

SCHIEDAM – Vrijwilligersinitiatieven in steden en wijken gaan kapot aan de wens van gemeenten om kostendekkend te werken. Zij hikken aan tegen de huur van de panden van waaruit ze werken. Maar in Schiedam-Zuid heeft Hof in Zuid het voor elkaar gekregen de huur in zijn geheel door maatschappelijke partners te laten betalen. Zo is een gezonde exploitatie van het wijkinitiatief realiteit geworden.

De gemeente Schiedam organiseert deze zomer op enkele donderdagen een zogenaamde Summerschool, voor ambtenaren en andere geïnteresseerden. Maatschappelijke thema's worden daar gepresenteerd en gekoppeld aan kennismakingsbezoekjes aan mensen en organisaties in de stad. Vorige week ging het over de samenwerking tussen bewoners/vrijwilligers en de (gemeentelijke) overheid.

Joke van der Zwaard, ontwikkelingspsycholoog, onderzoeker, schrijver èn vrijwilliger in het Oude Westen in Rotterdam, verzorgde een inleiding. 'We doen het zelf wel. Wat is daar zo nieuw aan?' was de titel van haar verhaal. Het ontrafelde de nodige mythes in de participatiesamenleving en leverde heel wat tips op aan beleidsmakers en uitvoerende ambtenaren hoe om te gaan met initiatieven van mensen in de stad.

Een van de mythes waar Van der Zwaard zich boos om kan maken is dat geweldige initiatieven de nek wordt omgedraaid door hoge kosten. Nogal eens is de afdeling Vastgoed van een gemeente daar verantwoordelijk voor. Was het ooit zo dat je met de juiste contacten, een goed idee en een slimme aanpak, als vrijwilligersinitiatief nogal eens voor weinig of niets gebruik kon maken van panden van de gemeente, sinds enige jaren hebben deze zich in hun pogen meer marktconform te werken, voorgenomen kostendekkende tarieven te berekenen. Van der Zwaard kent het voorbeeld van buurthuizen die aan vaste kosten een ton per jaar kwijt zijn. “Zij zijn alleen maar bezig na te denken hoe dat te kunnen ophoesten.” En wie zich vooral druk maakt om de centen, komt niet meer toe aan het uitdenken en verzorgen van goeie initiatieven. “Dat moet echt opgelost worden binnen gemeenten: de twee werelden die er lijken te zijn tussen de afdeling Vastgoed en de sociale afdelingen van de gemeenten. Daar gaan vrijwilligersinitiatieven aan kapot”, aldus de Rotterdamse spreker op de Summerschool.

Later op de dag stapten de deelnemers daarvan op de fiets, onder meer naar Hof in Zuid in de Gorzen. Dat is vanaf 2010 ontstaan als wijkinitiatief, om een ontmoetingsplek te creëren voor met name ouderen in de buurt. “Met mijn plan op een bierviltje presenteerde ik onze ideeën daar in het Lentiz, bij een bijeenkomst over burgerkracht”, vertelt Sjaak Bijloo, de geestelijk vader en drijvende kracht achter Hof in Zuid.

Veel geloof in de plannen was er in het begin niet, aldus Bijloo. De professionals vonden dat hij hun werk wilde gaan doen. Woonplus was eigenaar van een complex waar voorheen de Bethelkerk had gestaan en na sloop van de kerk en nieuwbouw van woningen, ook ruimte was ingeruimd voor de Hervormde Kerkgemeenschap. Toen die samenging met geloofsgenoten in de Grote Kerk in de stad, kwam de ruimte leeg te staan en roken Bijloo en anderen hun kans. Seniorenwelzijn had er ook een ruimte in gebruik die echter maar matig voldeed. SWS zag zich geconfronteerd met een wijkcentrum in de Dwarsstraat dat als gevolg van gemeentelijk beleid moest sluiten en Pameijer was betrokken in een initiatief om een nevenstaand huizenblok van Woonplus te slopen en er woningen te bouwen voor mensen met psychische of verstandelijke problemen.

In die constellatie zagen de wijkbewoners hun kans schoon. Schiedams praten-als-Brugman, het hart op de goeie plaats en doorzettingsvermogen brachten de plannen verder, ook al was het soms in het tempo van de Echternach-processie: drie stappen vooruit, twee stappen achteruit. “We moesten 262.000 euro bij elkaar fietsen”, vertelt Bijloo. Van begin af aan was duidelijk dat het werk, zowel de realisatie van het plan als het uiteindelijke draaien van de voorziening, met 'slechts' vrijwilligers gedaan moest worden.

Nu vertelt Bijloo trots dat van de honderdvijftig plannen die op de avond in 2010 werden gepresenteerd, er drie gerealiseerd zijn. Waaronder dus Hof in Zuid. “Als jij dat geld bij elkaar krijgt, komt het Hof er, zei Annemiek Verzijl (betrokken ambtenaar van de gemeente – red.)”, vertelt Bijloo zijn gehoor. Zo geschiedde.

Ook al zorgden Verzijl cs voor de laatste zestigduizend euro in de vorm van een gemeentelijke subsidie, 202.000 euro werd bij elkaar gebracht door de initiatiefnemers. De huurprijs van veertigduizend euro per jaar wordt in vier gelijke partjes ingebracht door de vier partners Woonplus, Pameijer, SWS en Seniorenwelzijn. Zij krijgen daar het gebruik van de ruimtes in de Hof van Zuid, bijvoorbeeld voor de cliënten van Pameijer, voor terug. Al met al maakt het dat de vrijwilligers van Hof in Zuid zich geen zorgen hoeven te maken hoe zij week op week, maand op maand de huurpenningen bij elkaar krijgen. Zij kunnen zich richten op het rondbreien van een exploitatie zonder deze hoge kosten. Uit het verhaal van Van der Zwaard blijkt dat dat een wereld van verschil maakt voor het welslagen van initiatieven en de energie die vrijwilligers in hun projecten moeten steken. Niet het geld, maar de activiteiten en de mensen kunnen nu de volle aandacht krijgen in de Nieuwe Maasstraat.

De langlopende afspraken die Hof in Zuid heeft gemaakt zijn opmerkelijk. Kenmerkend voor de meeste vrijwilligersinitiatieven is juist dat zij niet kunnen bogen op structurele inkomsten, aldus Van der Zwaard. Velen van hen zijn veroordeeld tot het intensief aanschrijven van fondsen. “Wel een gedoe. Ieder heeft zo zijn voorwaarden.” Zelf is Van der Zwaard als onderzoeker betrokken bij het fonds De Verre Bergen. “Daar is het idee voor een deel geen geld te geven, maar deskundigheid. Goeie financiële adviseurs zijn voor het schrijven van een aanvraag van belang. Of om te kunnen onderhandelen met een woningcorporatie over het vastgoed.”

Ondanks dat vallen en opstaan en medewerking die er soms uitziet als tegenwerking, is en blijven vrijwilligers de Nederlandse samenleving overeind houden. “Nederland is echt kampioen vrijwilligerswerk, al dertig, veertig jaar, en dat verandert niet”, aldus Van der Zwaard. Volgens de officiële cijfers doet dertig procent van de Rotterdammers aan vrijwilligerswerk (landelijk ligt dat cijfer op veertig procent), maar de Rotterdamse-te-gast-in-Schiedam schat dat percentage veel hoger in. In de Leeszaal in Rotterdam-West die zij mede heeft opgezet, werkt ze met een jongeman samen die er vaak is en wel zo'n twintig uur in de week in het werk daar steekt. “Maar hij noemt dat geen vrijwilligerswerk.” Zeker bij jongeren heeft vrijwilligerswerk een soort oubollig imago dat zorgt voor zogenaamde 'onderrapportage': “Zo veel dingen die mensen doen noemt men geen vrijwilligerswerk, terwijl het dat wel is, dat ik denk dat je bij het cijfer rustig tien tot twintig procent kun optellen.”

Niet dat vrijwilligerswerk niet verandert. Juist wel, zoals ook de maatschappij verandert. Voor we daarom onze mond vol hebben van de participatiesamenleving is het daarom goed de motieven die mensen hebben om zich in te zetten, te onderzoeken en te begrijpen. Zeker voor beleidsmakende ambtenaren is dat belangrijk. Zij legt daarom uit dat vrijwilligerswerk doen een vorm van je sociaal manifesteren is. Het is een van de 'cirkels' waarin mensen leven. Als onderzoekster onderscheidt zij er vier: “Er zijn de intimi - familie en vrienden. Dat zijn de mantelzorgers, de mensen die je geld lenen, helpen met verhuizen.”

Buren vormen een andere groep, een andere cirkel. Daar woon je toevallig naast. “Je groet. Je helpt elkaar, maar dat doe je niet binnen maar op de stoep. Bij elkaar koffie drinken is dan als een olifant in de porseleinkast.” Slechts in nood, als er mensen naar het ziekenhuis moeten, dan stap je wel bij elkaar binnen, aldus Van der Zwaard. “'Goede schuttingen maken goede buren' – is een gevleugeld gezegde in veel dorpen en buitenwijken.”

Samen vrijwilligerswerk doen, dat vormt weer een andere, wijdere kring. Ouderen tonen zich belangrijke zorgbieders. “Ze worden in nota's als zorgbehoeftigen geschetst, maar kijk maar eens in bejaardentehuizen: het zijn de 65-pussers die achter de rolstoelen lopen.”

En de vierde vorm van samen optrekken zijn de zogenaamde 'tactische verwantschappen'. Als je wilt weten wat er in een wijk gebeurt, moet je zoeken naar tactische verwantschappen, zegt de onderzoekster/vrijwilliger. Een voorbeeld: “In het Oude Westen wordt de hond om half 11 uitgelaten, desnoods met een jas over de pyjamabroek. Dat is de tijd dat je elkaar tegenkomt en een praatje maakt en veilig bent.” Een ander voorbeeld van zo'n verwantschap is de Vierambachtschool, waar hoogopgeleide ouders met een groepje hebben gezegd: 'wij sturen onze kinderen niet naar een school twintig minuten fietsen verder', maar gewoon naar de heel 'zwarte' school in de buurt. “Dat is een hele beweging geworden”, aldus Van der Zwaard.

Nog een voorbeeld van zo'n tactische manier van samenleven: Kasmoni. “Dat zijn groepen vrouwen, vaak van Antilliaanse of Surinaamse afkomst, die elkaar wekelijks ontmoeten, ieder 5 of 20 euro meenemen en dat aan één van hen geven die het hard nodig heeft voor een nieuwe wasmachine.” Een soort spaarsysteem dus, gebaseerd op vertrouwen.

En vergeet ook de sport niet, als tactische verwantschap. Soms letterlijk. “De KNVB heeft één miljoen leden, dat zijn allemaal vrijwilligers. Samen met de zorg zorgt de sport voor de plekken met de meeste vrijwilligers.”

Het idee van de participatiesamenleving, waarin ieder zijn bijdrage levert, moet leveren, is volgens Van der Zwaard niets nieuws. “Nieuw is dat de overheid er zo naar kijkt; zaken uit handen heeft laten vallen, dingen heeft laten overnemen.” En dat was weer een gevolg van het geloof in de marktwerking. “Toen die niet bleek te werken in de sociale sector, konden bewoners niet veel anders dan de dingen zelf op gaan lossen.”

Dat oude en nieuwe 'zelfdoen' moet je als ambtenaar, als beleidsmaker, goed begrijpen om te weten wat vrijwilligers nodig hebben om tot initiatieven te komen – en het vol te houden.

Van der Zwaard maakt onderscheid tussen strategieën en tactieken. “Strategieën, dat is wat beleid bedenkt: de WMO, Mensen maken de stad en andere programma's. Tactieken zijn eigen manieren van doen binnen gegeven omstandigheden.” Voor ambtenaren van belang om te beseffen, omdat zij moeten laveren tussen twee werelden: “De systeemwereld en leefwereld. En die twee zijn niet totaal gescheiden.”

Belangrijk om te weten. “Als de overheid iets over de schutting gooit, wil je als vrijwilliger niet hetzelfde doen.” Door een functie van de overheid zo maar over te nemen, toon je in feite het gelijk van die stap aan. “Daarom zeiden we in Rotterdam-West toen de bieb gesloten werd, dat we een leeszaal gingen openen. We wilden geen gratis bibliotheek voor de overheid zijn.” Die opvatting is exemplarisch, aldus Zwaard. Vaak ontstaan volgens haar initiatieven uit ergernis over het optreden van de overheid en of de markt. 'Wij kunnen dat beter' is vaak een leitmotif van dergelijke ondernemende burgers. “Dat is een energie die je als overheid moet koesteren. Dat is geen participatie, maar creatie, en tegelijkertijd commentaar.” Typisch ook de reactie van die overheid, in dit geval de bibliotheek. “Twee jaar lang wilde die niets van ons weten – want zij hadden besloten te sluiten.” Daarna viel de leeszaal twee keer een prijs ten deel vanuit de bibliotheekwereld en veranderende de bejegening vanuit het establishment. En hoorden we zoiets ook niet van Sjaak Bijloo van Hof in Zuid?

Die kinnesinne, die gemankeerde trots, het is heel menselijk maar wordt wel vervelend als die geïnstitutionaliseerd wordt. Neem een van de initiatieven waaraan Van der Zwaard zelf meedeed: de buurttuin. “Er werden huizen afgebroken, er kwam een stuk grond braak te liggen en het zou nog lang duren eer er gebouwd werd. We zeiden: 'kom, laten we er een tuin van maken'. We plaatsen stukjes in de buurtkrant, gingen praten, er ontstond een groepje.” En voor je het weet ben je dan begonnen. “De woningbouwvereniging hoefde niet meer dan voor water en een mooi hek te zorgen.” Er komt wat geld voor planten, muzikanten gaan meedoen en zij willen wel een podium maken. “Je maakt je eigen wereld. Als je eenmaal bezig bent, komen er mensen meedoen.” Zo ontstaat een heel programma. Nu, vijf jaar later, staat er op de plek van de tuin een verzorgingshuis. “Dat is niet erg. We wisten dat het tijdelijk zou zijn.” Het wordt pas vervelend als alle inspanningen die je als vrijwilliger doet, maar zo tijdelijk effect zouden hebben.

Wat vervelender is volgens Van der Zwaard, is dat de woningbouwcorporatie zo moeilijk doet met complimenten. “Als ze zouden erkennen dat door de tuin de huizen sneller gerealiseerd zijn, dat de buurt een goede uitstraling heeft gekregen, als ze zouden zeggen 'jullie hebben de plek aantrekkelijk gemaakt'; dat zou een verschil maken”, aldus de onderzoekster. Zo gaat het vaak: creatieven en andere ondernemende types gaan iets doen, dat krijgt waarde, het geheel wordt er beter van en levert ook nog financieel gewin op. “Het is jammer hoe weinig er op die manier gekeken wordt.” Voor Van der Zwaard staat vast dat er door vrijwilligers heel veel waarde er gecreëerd wordt.

Een vergelijkbaar patroon viel een ander initiatief met een groene-vinger-inslag waaraan Van der Zwaard meewerkte ten deel: de voortuintjes in de straat. “Dat vergde wat verbeeldingskracht – want mensen zijn opgevoed dat je nog geen straattegel uit de stoep mag halen.” Maar de actie in west liep als een trein. Door een landschapsarchitect een artist-impression te laten maken van de eigen straat, gecombineerd met het groen uit een straat waarin al voortuinen zijn, konden mensen enthousiast worden. “Zo begonnen we. Gemeentewerken had wat voorwerk gedaan, zij legden een randje. Je ziet dan ook dat de overheid weer in strategieën vervalt: waren we stadslandbouw? Dat was toen een hype. Nu gaat het overal in de stad om 'zachte grond', het vergroenen en verzachten van de stad om water te kunnen bufferen. Vijf jaar eerder hadden we hier echt niet mee aan moeten komen, nu passen we in de strategie.” Wat er in feite is gebeurd, is dat de bewoners zich hun eigen straat hebben toegeëigend. “De straat was niet van ons, nu wel. Met een heel simpele ingreep ontstond er een prachtige straat. Die mensen in actie zet, mensen die beschikken over hun eigen vakmanschap.”

Nog een voorbeeld: de Voedselbank. “Die is bedacht door mensen die zelf te weinig hadden. Hoe doe ik het in gewone leven? Ik ga naar de markt om vier uur. Dan is het goedkoop of de koopman is vertrokken en er ligt nog wat. Dat hebben zij omgezet in een systeem. Het is in feite een opgeschaalde tactiek. Er is bij de Voedselbank nooit sprake van een strategie geweest.” De opvolger van de Voedselbank is de Voedseltuin.

Bij hun inzet gaat het veel vrijwilligers niet per se om hun directe eigen omgeving. “In Café NL komen twee keer per week nieuwkomers praten met mensen die goed Nederlands spreken. Qua vluchtelingen wordt de groep steeds groter, maar er komen ook steeds meer vrijwilligers.” Altruïsme is daarbij een heel belangrijke drijvende kracht, aldus Van der Zwaard.

Behalve altruïsme is ook 'rebels optimisme' een belangrijke drijvende kracht bij burgerinitiatieven. “Goed doen voor een ander, maar ook iets creëren. Daardoor hou je het vol.” Van der Zwaard kent het geval van de kunstenaar die in zijn buurt bij de rellen in Londen – een jaar of vier geleden al weer – zag hoe een kapperszaak vernield werd. “De kapper was een oudere man die doorwerkte na zijn pensionering, om de touwtjes aan elkaar te knopen. De kunstenaar twitterde een oproep om 'die kapsalon even schoon te maken'. “Daarmee is iets op gang gekomen. De hele schoonmaak en het herstel is een bewonersactie geweest. Pak een bezem en ga er naar toe. Voor de gemeente het bedacht had, was het gebeurt. Inclusief het geld om nieuwe spiegels voor de kapper te kopen. Dat was militant optimisme. Wij doen het even, gewoon.”

De inrichting van de leeszaal kent ook dat element van rebels optimisme. Dat is iets anders als een soort vanzelf-organisatie. “Achteraf gezien is het een heel goed idee geweest om nooit een plan te schrijven.” Want 'eigenaarschap' is in een dergelijk project essentieel. “We worden als zelforganisatie nu heel erg bejubeld, hebben honderd vrijwilligers, niemand wordt betaald, we kloppen niet aan voor subsidie, dat willen we niet. We werken aan het bestrijden van laaggeletterdheid.” Simpel as that. Maar het was er niet zo maar. “We hebben een half jaar onderhandeld over de huurprijs. We creëren waarde, maken van een plein dat niets was een mooi plein. Gebruiken een pand dat lang leeg stond. Natuurlijk betalen we dan niet de volle prijs.”

Niet vanzelf komt ook de kwaliteit in de projecten. “Het ontwerp van de Leeszaal is van een interieurarchitect. We hebben gastvrouwen die op de tram hebben gezeten en weten hoe je met lastige jongetjes omgaat. Ik ben een onderzoeker en schrijver en een handige organisator, ook ik kan veel vakmanschap in het vrijwilligerswerk kwijt. Je maakt iets moois en je kan er iets in kwijt”, daar gaat het om.

Een ander mooi voorbeeld daarvan is het Vadercentrum in het Haagse Laakkwartier. “Daar gebeurt van alles, puur als vrijwilligerswerk: computerles, een houtwerkplaats. De lol is dat mensen ergens hun vakmanschap in kwijt kunnen; dat geeft zo veel voldoening, daar draait het om. Ieder heeft erkenning nodig. Niet met lintjes, maar dat mensen zien dat het de moeite waard is wat je doet.” Nog een voorbeeld: de Pendrecht Universiteit, waar wijkbewoners de docenten zijn.

Het leuke aan een wijk als het Oude Westen is volgens de supervrijwilligster de sociaal-fysieke infrastructuur. Ook in wijken die bovenaan (of onderaan) staan in de lijstjes met problemen, blijkt die de boel drijvend te houden. “Het is een fantastische wijk. Altijd actief. Eerdmans (de Rotterdamse wethouder) wil alle bewonersorganisaties opheffen.” Dat gaat dus weer leiden tot spandoeken, het schrijven van 'een notaatje'. Dat een wijk behoefte heeft aan een centrale plek waar mensen bij elkaar kunnen komen. “Ik maak me er geen zorgen over, het komt wel goed. Het is alleen zonde van tijd.”

“Als je wilt dat er iets gebeurt, moeten mensen elkaar tegenkomen. Moeten er plekken zijn waar je elkaar kan tegenkomen, in gesprek kan gaan, een vergadering kunt beleggen.” In Chicago is onderzocht, over een periode van dertig jaar, hoe wijken verschillen in hun ontwikkeling. “Het enige verschil bleek te zijn of er een sociaal-fysieke infrastructuur is.” Het advies van Van der Zwaard dus: “Erken dat al die plekken belangrijk zijn. Ook de tennisbaan. Het is niet fijn of handig om alles op één plek bij elkaar te zetten, mensen hebben sferen nodig en dingen hebben geschiedenis.” In het Oude Westen zijn zo 21 plekken benoemd, met behalve het wijkcentrum en de tennisbaan ook de kerk en de moskee, het park en de speeltuin.

Daarbij is het een gospe dat 'sociale ondernemingen' als echte ondernemingen kunnen draaien, aldus Van der Zwaard. “Ze kunnen iets verdienen als ze geld vragen als hun ruimtes gebruikt worden. Maar daar zijn niet genoeg klanten voor, er zal altijd geld bij moeten. Stel dat je als zelfstandig ondernemer zou kunnen draaien met een initiatief, dan had toch al lang een ondernemer dat gedaan?! Het gaat gewoon niet.” Volgens haar is het 'aardig om het een onderneming te noemen - je moet ondernemend nadenken'. “Maar vergeet het idee van een verdienmodel, dat is echt onzin.”

Veel belangrijker dan eisen aan ondernemerschap is het voor de overheid om zelf betrouwbaar te zijn. Van der Zwaard onderzocht voor de gemeente Rotterdam wat mensen nodig hebben om actief te worden. “Basiskwaliteit leveren, daar gaat het om. Niet aan mensen vragen om zorgzaam te zijn, als je als gemeente zelf het niveau van onderhoud vier niveaus naar beneden laat gaan.” Als een gemeente kapotte bankjes in het park niet repareert, dan hebben de vrijwilligers ook geen zin meer om zich in te zetten voor het onderhoud en schoonhouden van het park, zo eenvoudig is het.

Ook die kwam in de voormalige Bethelkapel aan de orde. Bijloo heeft al een paar keer aan de bel getrokken over de stoeptegels voor de deur die ongelukkig ongelijk liggen. "Er zijn al dames die een stuk omlopen om daar niet overheen te hoeven." De aanwezige ambtenaren begrepen: ook dit is een voorbeeld van al dan niet kwaliteit leveren, als overheid.

Gerelateerd
Reacties
Bedrijven Alle bedrijven »


Vacatures Alle vacatures »
Altijd Up-to-date