Broeder Johannes (82) bezweken aan coronavirus

05-04-2020 Nieuws Kor Kegel

Broeder Johannes vond in de kerk rust en geluk. Foto: uitgeverij Scriptum

TILBURG – Hij is in Schiedam geboren als Jan Prins en over zijn bizarre leven schreef Nathalie Lans een biografie. Zijn einde in het aardse bestaan was net zo bizar. Dinsdag overleed broeder Johannes aan de gevolgen van het Coronavirus.  

Hij is 82 jaar geworden. De uitvaart en begrafenis vonden plaats in besloten kring bij de abdij Onze Lieve Vrouw van Koningshoeven, gevestigd in Berkel-Enschot aan de rand van Tilburg. Het is de abdij waar het trappistenbier La Trappe wordt gebrouwen. In het klooster legde hij twee jaar geleden op 80-jarige leeftijd zijn eeuwige geloften af.

Broeder Johannes had meer dan veertig jaar daarvoor ook al in de kloostergemeenschap van Koningshoeven gewoond, maar werd daarna langdurig priester van het bisdom Roermond en werkte in Maastricht, Weert, Tegelen en Sint Odiliënberg. In 2013 keerde hij terug in Koningshoeven. In 2016 kreeg hij van zijn abt toestemming om mee te werken aan een biografie.

Nathalie Lans sprak veel met hem en schreef ‘Broeder Johannes, een trappist met een wonderlijk levensverhaal’. Het boek van tweehonderd bladzijden werd uitgegeven door Scriptum in Schiedam. Naar aanleiding van deze publicatie maakte het Nederlands Dagblad een portret van hem. In dit in memoriam is daar gebruik van gemaakt. Het gesprek vond plaats in een van de ontvangstkamers, waarvoor broeder Johannes als gastenbroeder verantwoordelijk voor geweest was. Maar de abt stelde hem – tot zijn teleurstelling – aan als documentalist in de kloosterbibliotheek.  

Jan Prins alias Jan Vermeulen werd in 1938 geboren in Schiedam. Tot voorbij het jaar 2000 nog had hij altijd geloofd dat zijn ouders waren omgekomen bij het bombardement op Rotterdam, maar hij besloot toch eens archiefonderzoek tegaan doen, want hij kon zich niet voorstellen dat door één bombardement zijn hele familie was omgekomen. Hij bleek een tweelingbroer te hebben, Gerard. Ze waren anderhalf toen ze uit huis geplaatst werden. Een jaar lang verbleven ze in een ziekenhuis, verwaarloosd en sterk ondervoed. Daarna volgde een opvanghuis. “Mijn ouders blijken veel later en op een natuurlijke wijze te zijn gestorven.” 
Hij ontdekte meer over zijn ouders. Gerard en hij bleken de jongsten te zijn geweest in een gezin van zes kinderen, maar alleen bij Jan en Gerard werden de ouders door de rechter uit hun macht ontheven. Ze protesteerden niet. Johannes vroeg zich af waarom de ouders wél in staat waren tot het opvoeden van zijn drie oudere zussen en een oudere broer en voor hen ook de school konden betalen. Nog een opmerkelijk gegeven: de rechter typeerde zijn moeder als een ‘onvolwaardige’ en ‘uithuizige’ vrouw. Toch werd aanvankelijk de voogdij aan háár toegewezen en niet aan haar man, wat in die tijd zeer ongebruikelijk was. Zeker weten doet hij het niet, maar het lijkt hem waarschijnlijk dat zijn wettelijke vader niet zijn biologische vader was.

De tweeling werd overgeplaatst naar Huize De la Salle in Boxtel: een tehuis voor verstandelijk gehandicapte kinderen. “Ik werd voor debiel versleten, zwakzinnig. We waren tweeënhalf, drie. Dus ze konden dat nog niet vaststellen, maar als je uit dit soort gezinnen afkomstig was, wilde geen pleeggezin je hebben. Je werd in een gesticht gestopt. Opgeruimd staat netjes.” 
Gerard en Jan werden van elkaar gescheiden. Het was een huis met een kil, hard regime, herinnerde broeder Johannes zich. Je moest en zou er eten wat de pot schafte, ook als dat rode kool was, waar hij van over zijn nek ging. At je niet, dan werd je met rode kool en al opgesloten in een badcel tot je het op had – desnoods de nacht over. “Het liefst had ik me in een vleermuis veranderd om boven alles uit rond te vliegen, of had ik een harnas aangetrokken zodat niemand me iets zou kunnen doen.” 
Eenmaal verstopte hij de rode kool in de zakdoek in zijn broek. Bij de eerstvolgende controle werd vastgesteld dat het bord leeg was en werd hij vrijgelaten. De kleine Jan dumpte de zakdoek met kool onder de heg. 
Maar bij de wekelijkse controle van de verstrekte spullen ontbrak bij Jan de zakdoek. “Ik moest alles opbiechten.” Hij kreeg straf. “Ze duwden mijn hoofd enkele keren achtereen in een bak water, zodat ik het gevoel had dat ik verdronk. Ik ben altijd doodsbang voor water gebleven.” Het Nederlands Dagblad tekende op hoe broeder Johannes telkens even nadacht en met relavtiverende opmerkingen kwam. “Misschien moest het ook wel zo streng, met al die verstandelijk gehandicapte kinderen.”

In de kerk vond hij rust en geluk. “De pijnlijke, innerlijke leegte waarin ik leefde, trachtte ik te compenseren door vaak naar de kerk te gaan. Ik gaf mij al als kind zonder voorbehoud over aan alles wat de kerk te bieden had. Een mens moet een thuis hebben, een plaats waar hij zich geborgen weet en veilig voelt. Dat vond ik in de kapel. Ik heb altijd het gevoel gehad dat mijn leven geleid werd.”  

Hij had geen rancune over het verleden. “Achteraf ben ik zelfs blij dat het zo gelopen is. Ik heb er ontzettend veel vrucht van gehad in mijn pastorale werk. Mensen voelen aan, als ze met je praten, dat je ook wat meegemaakt hebt. Ik weet wat honger is. Ik weet wat kou is. Ik weet wat vernedering is. Niet gewaardeerd worden. Geen liefde krijgen … Het heeft me gemaakt tot wie ik nu ben.”

Broeder Johannes besefte dat het met zijn karakter te maken had. “Ik aanvaard wat mijn lot is. Dat klinkt misschien gek. Ik paste me gewoon aan. Op die manier heb je ook nog een beetje geluk voor jezelf. Ik zat daar gewoon. Alleen als ik een keer buiten de poort kwam, tijdens de wekelijkse wandeling, dan ervoer ik iets van een heel andere wereld. En dan kwam bij mij het besef naar boven: waarom zit ik hier eigenlijk? En waarom heb ik geen papa en mama…”  

Tijdens het interview liet broeder Johannes zich geregeld gaan. De emoties werden toch te veel.

Acht jaar duurde het verblijf in Boxtel en toen klonken door de luidsprekers van het tehuis ineens de namen van de broers. Bezoek kon het niet zijn, dat kregen ze nooit. In de spreekkamer troffen ze een frater. “Hij liet ons sommen maken en leesoefeningen doen. Zo ontdekte hij dat we normaal begaafde kinderen waren.” Dat opende de weg naar een pleeggezin. Gerard en Johannes waren inmiddels elf jaar oud. 
Het werd er niks beter op. De pleegouders incasseerden de pleegzorgvergoeding en probeerden daar zo veel mogelijk geld van over te houden. Het gezin in Rotterdam bestond uit achttien personen, van wie drie pleegkinderen – de broers sliepen op een zolder met nog zeven andere jongens. “We leefden vooral van wat we op school van andere kinderen kregen.” Op school moesten ze als elfjarige kinderen in de eerste klas beginnen. “Gelukkig werden we niet gepest.”

Hij ging elke dag naar de mis voor de verering van het allerheiligst sacrament. Jan kreeg van de priester een rozenkrans. Hij verstopte hem, het was zijn enige persoonlijke bezit. Hij bad formulegebeden. Nooit persoonlijk. “Hoewel ik natuurlijk wenste om uit het pleeggezin weg te mogen, bad ik daar niet om. De grondslag was angst. Ik was altijd bang dat het verkeerd zou aflopen.”

De oudste pleegzoon werd volwassen en vertrok. Kort daarna werden de broers uit het pleeggezin weggehaald. “Waarschijnlijk had de oudste pleegzoon zich ons lot aangetrokken en de Kinderbescherming verteld hoe we daar leefden.” 
Er volgden pleeggezinnen in Nijmegen en in Haarlem – dat laatste was het dieptepunt. “We werden er als honden behandeld.” Op een dag ging Gerard zijn pleegmoeder te lijf met een mes. “Hij was iets agressiever dan ik, ik was iets terughoudender. Hij had een geweldige woede en frustratie in zich. Ik sprong ertussen. Anders waren er vreselijke dingen gebeurd.”

De instanties vonden dat de broers, vijftien jaar inmiddels, terug moesten in een instelling. Maar het liep anders. “Het zijn de parochiepriesters die daarvoor gezorgd hebben. Zij kenden het echtpaar Prins en die mensen kenden ons ook een klein beetje. We waren daar wel eens binnen geweest voor een koekje, of een boterham zelfs, wat voor ons een traktatie was. Er is hun gezegd dat ze ons echt niet moesten nemen. Maar ze hebben gelukkig hun hart laten spreken. En ja, daar is de liefdesband ontstaan. We waren echte straatschoffies hoor, je kon ons bijna schooiers noemen. Onverzorgd en ondervoed. Ik ben ze ontiegelijk dankbaar dat ze… (slikt). Daar zie ik echt duidelijk Gods hand in. In alles, maar daar helemaal. Toen pas leerde ik wat liefde was.”  

In de roerige jaren rond het Tweede Vaticaans Concilie, eind jaren zestig, toen de kloosters leegliepen en tal van priesters trouwden, werd Jan Prins uiteindelijk priester in een parochie in Limburg. In die functie zegende hij het huwelijk in van de vrouw met wie hij zelf bijna getrouwd was. “Ik heb echt van haar gehouden. Totaal. Ik had er alles voor over. Maar ze verhuisde en de relatie ging over. Ik heb ook haar kinderen mogen dopen. Ik heb het graag gedaan. Ik vond het zo mooi. Maar ik dacht wel: ik had het ook kunnen zijn. Ik had hier ook kunnen zitten. En o, een fantastische vrouw was het, hè.”

Het celibaat moet geen verplichting blijven, vond broeder Johannes. “Dat dat door anderen van je geëist wordt als je priester wordt, daar kan ik gewoon niet mee leven. Ik ben er achteraf wel gelukkig mee dat ik celibatair bén, omdat ik dan helemaal beschikbaar kan zijn. Maar ik hield ook heel erg van mijn pleeggezin. En ik had niets liever gehad dan kinderen. Een mooi gezin om me heen. En waarom zou een priester dat niet kunnen, als een dominee dat wel kan? Dat vind ik het moeilijke van de kerk. Ik ben een grote familieman. En ik heb eigenlijk helemaal geen familie.”  

Het RD vroeg hem of hij nooit bang is geweest dat hij, met zijn verleden, in de valkuil van het seksueel misbruik zou stappen? Na een stilte kwam het antwoord: “Ja. Dat is een gevoelige kwestie. Ik heb een vriend gehad, die is misbruikt op het seminarie. Ik heb hem geholpen met het schrijven van brieven naar instanties en zo. Dat was bijzonder, dat hij mij benaderde om hem te helpen met zijn verhaal. Dus ik weet wel een beetje waar ik over praat. Hij heeft er zijn hele leven mee geworsteld.” 
“Ik heb een verknipt leven gehad. Maar ik heb juist daardoor mensen kunnen bijstaan. Dus voor mij heeft het heel positief gewerkt. Dus in die zin kan het ook vruchtbaar zijn.”  

Toen hij in Koningshoeven intrad, na zijn emeritaat als parochiepriester, kwam zijn verleden in alle heftigheid boven. “Het moeilijke is, ik heb het altijd verborgen gehouden, ook voor mezelf. Ik had er nog nooit met iemand over gesproken. Het zat lekker ondergesneeuwd. Maar sinds ik hier ben, wordt het allemaal opgerakeld. Alsof het een braakliggend terrein is geworden, waarin iedereen maar zit te wroeten. Dat ik er een boek over heb geschreven, maakt het ook heel kwetsbaar natuurlijk. De psychologe zei tegen mij: als je het opschrijft, kun je het van je af praten. Maar het is erger geworden. Het kost me veel meer moeite dan vóór die tijd. Het roept zo veel op.” 
Intreden in Koningshoeven sprak niet vanzelf. De abt vreesde dat Jan, na een heel leven alleen in de pastorie, zich niet meer aan zo’n gemeenschap zou kunnen aanpassen. “Hij raadde het me sterk af.” 
Maar zich aanpassen aan de omstandigheden was voor broeder Johannes zijn tweede natuur geworden. “Ik maak ervan wat ik ervan kan maken. Ik zit nu in de bibliotheek. Dat is totaal ander werk dan gastenbroeder zijn. Duf en stoffig, en ik zit de hele dag te typen. Ik heb erom gehuild. Maar in een klooster word je geacht gehoorzaam te zijn. Daar heb je weer dat woord nederigheid. Dat roept zo’n aversie in me op! Ik heb dat ook tegen mijn abt gezegd. Dat je er niet op voorbereid wordt, dat er niet met je gesproken wordt. Ik snáp het wel, maar mijn gevoel gaat daar niet in mee. Mijn gevoel zegt...” 
Weer iemand die mijn leven wil…? 
“… ja, probeert te regelen en te bepalen hoe ik het doen moet. Dat komt ook vanuit dat verleden. Bij gezag trek ik me gelijk terug. Maar mijn gevoel gaat niet mee. Ik zie dan iemand die me overheerst.”

Toch had de abt toestemming gegeven voor het interview. Hij kon weten dat broeder Johannes zich openhartig zou uitlaten. “Ja, zo is hij ook”, zei broeder Johannes. “Hij is echt een vader. Het is een geweldige man. Maar die angst voor gezag heb ik heel sterk in me.”  

Zou zijn wond ooit helen? 
“De buitenwereld doet het niet, hè. Je moet het zelf doen. Ik kan dat dankzij mijn gebed. En dankzij het contact met God. En de gemeenschap, in het klooster. Er komt heus wel weer een tijd dat ik mezelf weer in de hand krijg. Maar ik denk dat het genezingsproces heel lang gaat duren. Ook dit gesprek met u weer, dat roept toch weer die gevoelens op. Dat raakt me dan zo…”  

Het RD deed de suggestie dat het misschien maar goed was dat broeder Johannes geen gastenbroeder meer was. Hij antwoordde: “Als wij gasten ontvangen, zien wij Christus in hen. En daar geef je je aan met hart en ziel. Zo mooi! Maar misschien is dit ook wel beter voor mij. Al die gasten die nu komen, halen elke keer mijn wond weer open. Ik weet niet of ik dat op dit moment aan zou kunnen. Misschien heeft de abt dat wel bedoeld... Ja, ik denk dat het toch wel wijs was.”