Güngör Haleplioğlu: Nederlandser dan de doorsnee-Nederlander

23-04-2020 Nieuws Kor Kegel

Güngör en Irene zijn ruim een halve eeuw samen geweest

SCHIEDAM – Hij heeft het helemaal meegemaakt. Gastvrij ontvangen in Nederland, later toch stuitend op vooroordelen tegen Turken, en dat overwonnen door een reeks vooraanstaande maatschappelijke functies. In 1991 ontving Güngör Haleplioğlu de eremedaille verbonden aan de Orde van Oranje-Nassau in goud.  

Het Nieuwe Stadsblad had gisteren een overlijdensadvertentie: Güngör Haleplioğlu, geboren in Sungurlu, honderd kilometer ten oosten van Ankara in de provincie Çorum, is 86 jaar geworden. Hij woonde met zijn Nederlandse vrouw Irene Maarschalk aan de Delflandseweg in Schiedam. Ze zijn meer dan een halve eeuw samen geweest en ze kregen een zoon en een dochter, Altan (1974) en Selma (1977), die met hun respectievelijke partners Sandie en Ed voor vijf kleinkinderen hebben gezorgd, Lynn en Kate en Lucas, Thom en Jill.  

Toen in 2012 de diplomatieke betrekkingen tussen Nederland en Turkije vierhonderd jaar bestonden, tekende Sevgi Gülen de belevenissen op van vier Turks-Nederlandse stellen in Schiedam. In 2000 was Sevgi Gülen zelf voor de liefde naar Nederland gekomen en ze werd geconfronteerd met veel vragen over een huwelijk tussen twee culturen. Ze ging te rade bij stellen die er al ruim ervaring mee hadden en zo kwam ze ook uit bij Güngör en Irene. Ze schreef er een tweetalig boek over, uitgegeven door het Fonds Historische Publicaties Schiedam, en gepresenteerd in Bibliotheek Schiedam. 
Veel van de navolgende alinea’s over Güngör Haleplioğlu zijn aan dat boek ontleend.  

Güngör verloor zijn ouders op jonge leeftijd. Hij was vier toen zijn moeder overleed. Op zijn twaalfde overleed zijn vader. Hij werd opgevangen door zijn oudere zus. Hij maakte de lagere school af en nam op zeer jonge leeftijd de zaak van zijn vader over. Na zijn militaire dienst begon hij een transportbedrijf, dat zich succesvol ontwikkelde, maar als gevolg van de staatsgreep van 1960 ging het minder en liep hij tegen een faillissement aan. Hij verkocht alles wat hij had om zijn schulden te betalen en met de tweehonderd dollar die hij over had, ging hij in 1965 naar Schiedam om gastarbeider te worden bij Wilton-Fijenoord. De werf had als huisvesting een barak in de Botlek geregeld, nabij de Shell-raffinaderij Pernis, maar Güngör was blij toen hij een bij familie in Rotterdam een zolderkamer kon huren. 
Hij werd verliefd op Nederland, maar moest eraan wennen dat iedereen naar de bloemenwinkel ging om bloemen te komen, terwijl overal in de natuur bloemen groeien. Hij beschouwde Nederland als het land van zijn toekomst.

In Rotterdam ging hij uit en in 1967 leerde hij in een dancing Irene Maarschalk kennen. Op vrijdag en zaterdag gingen ze stijldansen. Ze dansten dat het een aard had, maar de liefde zou later ontluiken. 
Irene was fysiotherapeute, ze woonde in Rotterdam op de Oostzeedijk en op een avond ging ze met collega’s vieren dat een van hen voor het examen geslaagd was. Om drie uur ’s nachts kwam ze thuis en nadat ze geparkeerd had, werd er tegen het portierraampje geklopt. Güngör. Hij wilde praten. Dat deden ze tot het al zaterdagochtend was en meteen spraken ze voor zaterdagmiddag af om verder te praten. “Zo is het gekomen eigenlijk”, zei Irene tegen haar interviewster. 
Güngör had uren op haar thuiskomst zitten wachten, maar hij heeft nooit spijt gehad. Het leidde tot een goed huwelijk met kinderen, schoonkinderen en kleinkinderen. “Ik ben hier alleen gekomen en nu zijn we met negen”, vertelde hij tegen Sevgi Gülen.  

En dan bevat het interview enkele openhartige passages: 
Irene: “Het is zeker niet verkeerd geweest. Voordat ik Güngör leerde kennen had ik eigenlijk geen idee over Turken. Mijn vader was ingenieur, hij had een Turkse collega. Daar hadden we wel eens contact mee, maar dat was de enige en verder niks. Dus wat weet je ervan, eigenlijk niks.” 
Güngör: “Nederlanders kenden Turken als mannen met een fes op hun kop en met een grote snor. Eerlijk is eerlijk, toen we hier allemaal in een keurig pak aankwamen, keek iedereen altijd heel positief tegen ons aan. Er waren drie cafés in Rotterdam die De Turk heetten. Begin jaren tachtig veranderden ze allemaal hun naam.” 
Irene: “Turken hadden toen een heel goede naam. En ze werden, net als hij, door de Hollandse hospita met open armen ontvangen. Dus dat is heel anders dan dat het nu is. Ik merk het niet, maar hij merkt het vaak.” 
Güngör: “Toen ik hier kwam, waren de mensen ontzettend behulpzaam. Nederlanders zijn in eerste instantie een beetje afstandelijk. Maar als je ze beter kent verandert het wel. De eerste jaren was de taal een probleem. En ik was ook bang. Bang om iets te eten waar varkensvlees in zat. Eén ding heb ik haar wel gezegd: ik heb in mijn land geleerd geen varkensvlees te eten. Onze kinderen hebben hier ook geen varkensvlees gegeten. Dat blijft nog steeds hetzelfde.” 
Irene: “Ja, dat was het enige. Eigenlijk zijn er helemaal niet veel verschillen. Ik heb helemaal niet gezegd van: goh, wat is dat raar. Helemaal niks. (…) Wij hadden geen problemen, maar mijn familie wel. Mijn ouders zagen hem niet zitten.” 
Güngör: “Mijn schoonvader was ingenieur, zijn vader notaris en diens vader was ook notaris. De vader en opa van mijn schoonmoeder waren beiden architect. Een heel geleerde familie.” 
Irene: “Dat was het punt. Maar wat ik het ergste vond was dat ze hem nog niet eens hadden ontmoet. Hij was maar een arbeider en dus per definitie niet goed genoeg. Hoe kun je nou iemand beoordelen als je hem helemaal nooit gezien hebt? Niet eens beoordelen, maar veroordelen. Maar goed, ik woonde op kamers en hij ook. Ik ging iedere zondag naar mijn ouders, maar toen ik verteld had dat ik een vriend had en wie hij was hoefde ik niet meer thuis te komen. Het was het een of het ander, of hij eruit of ik was niet meer welkom. Güngör zei zelf dat ik mijn familie moest kiezen.” 
Güngör: “Ja. Ze zijn je familie. Ze hebben altijd alles voor je gedaan. Je moet voor je familie kiezen, heb ik haar gezegd.” 
Irene: “Ik ben in eerste instantie inderdaad weer naar huis gegaan. Maar twee weken later dacht ik: ze kunnen het dak op. Ik ben toen weer terug naar hem gegaan. Ik heb mijn familie toen een jaar niet gezien. Op een dag waren we naar een concert en toen kwam ik mijn moeder en mijn schoonzusje tegen. Ik heb ze toen gedag gezegd en hem gelijk aan mijn moeder voorgesteld.” 
Güngör: “Daarna mochten wij samen langskomen. Maar dat wilde ik niet gelijk. Haar vader is toen naar haar kamer gekomen. Ik heb Turks eten voor ze klaargemaakt. Je kon toen niets Turks kopen in de winkels, dus ik ben met Irene naar de markt in Rotterdam gegaan. Ik zag een groene peper. Ik was zo blij en dacht: die ga ik gelijk kopen. Irene wilde het proeven. Ze stak de hele peper in één keer in haar mond. Dat was voor haar een pittige ervaring. Inmiddels is ze gewend om pittig te eten. Toen we nog op kamers woonden kwam Irene 's avonds altijd naar mij, dan aten we samen.” 
Irene: “Ik wilde een appartement huren, maar het lukte niet. Ik werkte in Rotterdam in het Zuiderziekenhuis. Ik had een collega die in Schiedam woonde en die vertelde dat ze in een Schiedams ziekenhuis, het toenmalige Gemeenteziekenhuis, een fysiotherapeut zochten. Bij de baan kreeg je ook een huis. Ik heb toen gelijk de wethouder gebeld om te vragen of het waar was en ja hoor. Ik zei toen tegen Güngör dat ik met hem wilde samenwonen, maar wel een ring wilde hebben.” 
Güngör: “Wij hebben ringen gekocht en zijn op 7-7-70 verloofd. Dat vonden we een mooie datum. We zijn op 7 april 1972 getrouwd.” 

En dan volgt de verrassing in het interview: 
Irene: “Mijn ouders hebben de bruiloft betaald.”  

Ze hadden allebei een baan, maar geen geld. Na Wilton-Fijenoord werkte Güngör drieënhalf jaar bij Chrysler. Daarna wilde Wilton hem als tolk. Hij was tien jaar betrokken bij de werving van nieuwe gastarbeiders. In 1981 werd hij door het ministerie van Justitie gevraagd als adviseur. Daar werkte hij tot zijn pensioen. 
Hij was terloops actief geweest in de ondernemingsraad van Wilton-Fijenoord als lid van het CNV. Hij sloot zich ook aan bij het CDA in Schiedam. In 1991 werd hem de eremedaille in goud behorende bij de Orde van Oranje-Nassau toegekend. “Mijn vrouw vond het jammer dat haar vader toen niet meer leefde. Hij zou het geweldig gevonden hebben. Het was een slecht begin, maar het is heel goed geëindigd”, zei hij.

Irene: “Wij zijn ook samen met mijn ouders bij zijn familie in Turkije geweest. De familie van Güngör was niet op onze bruiloft. Wij waren al getrouwd toen ik voor het eerst naar Turkije ben gegaan. Nadat we naar Ankara vlogen zaten we in de bus naar Sungurlu. Na tweeënhalf uur zei hij: nou, daar is het dan. Je vraagt je af hoe het zal gaan, maar je komt daar binnen en ze zijn allemaal even hartelijk. Na een half uur voelde ik me al helemaal onderdeel van de familie. Toen heb ik eigenlijk het grote verschil gemerkt. Iedereen kwam onverwacht binnenvallen en bleef mee-eten. De één na de ander schoof aan tafel.” 
Irene vervolgde: “Wij gingen ieder jaar zes weken met de kinderen naar zijn zus. Als we daar weggingen, was het altijd tranen met tuiten.”
Güngör: “Van mijn familie krijgt zij veel waardering. Als ik mijn familie spreek is het eerste wat ze vragen: hoe gaat het met Irene?’ Irene spreekt heel goed Turks, veel beter dan onze kinderen. Destijds dachten mensen dat een tweetalige opvoeding tot problemen op school zou leiden. Daarom hebben we met hen geen Turks gesproken.”  

Op een gegeven moment veranderde de beeldvorming over Turken. Irene: “In het eerste jaar van ons huwelijk heeft niemand ooit gevraagd hoe het zat met dit en dat en of ik daar problemen mee had enzovoort. Later vroegen mensen die ik voor het eerst ontmoette dat wel als ik vertelde dat ik met een Turk getrouwd was. Ik zei dan dat ik nooit problemen heb gehad. Dat er geen verschil is. Sommige mensen vinden dat vreemd, maar je hebt moderne Turken en conservatieve. Net als Nederlanders eigenlijk.” 
Güngör: “Vroeger hadden ze twee benamingen voor ons. Toen waren we Mohammedaan of Turkse gastarbeider. Nu hebben ze wel honderd namen voor ons. Er zijn, net als bij iedereen, ook onder Turken enkele rotte appels die slechte dingen doen. Op tv is het dan meteen Turken zo en zo. De laatste tijd draaien ze het om, ze nemen één persoon als voorbeeld. Daar heb ik dus last van, maar het is net zo goed onze schuld. Je moet laten zien wie je bent. Turken durven geen contact met Nederlanders te zoeken. Ze hebben alleen contact met elkaar. Wat ik eigenlijk heel vaak hoor van mensen die in Turkije op vakantie waren is dat het zo'n mooi land is; lekker eten, lekker weer, prachtige zee en dan vooral dat de Turken zulke ontzettend aardige mensen zijn. Dan vragen ze mij waarom de Turken die hier wonen niet zo aardig zijn. Ik zeg dan dat de Turken die hier wonen ook aardig zijn, maar dat niet kunnen laten zien. Turken moeten hun goede kanten laten zien. Alleen dag zeggen is niet genoeg.” 
“Mijn vrouw zegt dat ik heel uitgebreid praat, maar ik doe het graag. Als ik in de bus of de tram zit, waar dan ook, ik begin over het weer en ik laat aan mensen zien wie ik ben. Ik ben Nederlandser dan de doorsnee-Nederlander. Op 5 mei hang ik de Nederlandse vlag uit. Op Koninginnedag doe ik een oranje wimpel aan de vlag, al veertig jaar.”  

Die man is dus heengegaan. Hij overleed op vrijdag 10 april en de uitvaart vond plaats in besloten kring, vanwege het coronavirus. Bovenaan in de advertentie staat:  

Weinig nemen en veel geven
Altijd hartelijk en warm
Als de mensheid zou zijn zoals jij
Was de wereld niet zo arm