Hoe een oorlog op zee de bloei van Kethel voorkwam

05-09-2021 Nieuws Kor Kegel

Detail van het kaartblad van Vlaardingen en Schiedam in de Atlas van de Trekvaarten. Op deze kaart van Floris Balthasar (1591-1645) ligt Kethel recht boven Vlaardingen gesitueerd


SCHIEDAM – Als de Tweede Engelse Oorlog (1665-1667) niet had plaatsgevonden, had Kethel zich heel anders kunnen ontwikkelen. Dan was het in de zeventiende eeuw een bloeiende handelsplaats geworden, misschien wel groter dan Schiedam. Dan hadden de Duitsers in 1941 misschien wel Schiedam bij Kethel gevoegd in plaats van andersom. 

Of het welvarende Kethel zou nu net als Overschie en Delfshaven deel uitmaken van Rotterdam. Was het dan nog een landelijk gebied gebleven? Dat is maar zeer de vraag. Het gaat te ver om te stellen dat de Tweede Engelse Oorlog goed geweest is voor Kethel, want toen hadden ze dat beslist niet zo gezien. Hooguit in het perspectief van nu, nu we nog kunnen recreëren in het polderlandschap in en rond Kethel. 

Waar halen we deze wijsheid vandaan? Uit de ‘Atlas van de trekvaarten in Zuid-Holland’, samengesteld door Ad van der Zee en Marloes Wellenberg. Bladeren door 192 pagina’s met landkaarten en prachtige foto’s, tekeningen en schilderijen krijg je een beeld van het ontstaan van de trekvaarten in deze provincie. De Vlaardingervaart, de Poldervaart en de Delfshavense Schie hadden een belangrijke functie voor handel en personenvervoer. 

Eén hoofdstuk gaat over een trekvaart die er nooit kwam, maar waar de ambachtsheer van Kethel veel voordelen van zag. Die ambachtsheer moet Jacob de Brauw geweest zijn, gestorven in 1680. De ‘Atlas van de trekvaarten’ vermeldt zijn naam niet. Wel dat hij in 1663 een memorie presenteert over de aanleg van een trekvaartroute van Rotterdam via Overschie en Kethel naar Vlaardingen en Maassluis. De route zou grotendeels langs bestaande wateren voeren en alleen tussen Kethel en de Vlaardingervaart zou een brede sloot uitgegraven moeten worden. Hier en daar zouden een paar bruggen moeten worden gebouwd en een pontje ingezet moeten worden. 

Het eerste pontje zou moeten komen in het verlengde van de Rotterdamsche Schie (thans Noorderkanaal) bij Overschie naar de overkant van de Schiedamsche Schie. Dankzij het pontje zouden de trekpaarden hun route kunnen vervolgen. Het traject zou een stukje langs de Schiedamsche Schie lopen tot de toenmalige boerderij Huis te Riviere (die op een heel andere locatie stond dan Aleida’s kasteel Huis te Riviere). Vandaar was er een kleine vaart naar de Poldervaart, waar eveneens een pontje zou moeten komen. Vandaar ging de route verder langs het Windas naar het dorp Kethel zelf. De vaart moest daar wel verbreed worden voor de marktschuiten uit Amsterdam en Den Haag. 

Vanaf Kethel moest er over vier kilometer een nieuw te graven vaart komen naar de Vlaardingervaart, vanwaar je verder kon jagen (trekken) naar Vlaardingen en – via de Noordvliet – naar Maassluis. De ambachtsheer van Kethel noemde vele voordelen. Vanuit Brielle zou je in één dag Rotterdam kunnen bereiken. De vishandelaren in Maassluis zouden een alternatief hebben voor de Maas. Tuinders in het Westland zouden niet meer via Delft hoeven en de boeren rond Kethel konden hun zuivelproducten snel afzetten in Rotterdam.  

Maar de trekvaartroute kwam er niet. De Atlas meldt dat de uitbraak van de Tweede Engelse Oorlog in 1665 een einde maakte aan het trekvaartoptimisme. Deze oorlog speelde zich voornamelijk af op de Noordzee, waar de Engelsen en de vloot van de Republiek der Nederlandsen elkaars koopvaardijschepen plunderden of tot zinken brachten. Toch had deze oorlog op zee effect op de ontwikkeling in het binnenland, zoals elke oorlog wel impact heeft op de handel. De ambachtsheer van Kethel slaagde er in elk geval niet meer in de benodigde gelden bijeen te brengen voor de trekvaart van Overschie naar Kethel en verder naar Vlaardingen. Mogelijk had hij zich verkeken op de medewerking van Delft en Rotterdam, die in de oversteek bij Overschie geen enkel belang zagen voor hun eigen inkomsten. 

Maar ook de aanlegkosten hakten erin. Op een totaalbudget van twintigduizend gulden zou twaalfduizend gulden opgaan aan de trekvaart tussen Kethel en de Vlaardingervaart (kosten tien gulden per roede, een Rijnlandse roede kwam neer op 3,76 meter). 
De investeerders zullen getwijfeld hebben of zij die twintigduizend gulden wel zouden terugverdienen, veronderstelt de schrijver van het hoofdstuk in de atlas, Ad van der Zee.



Gerelateerd