Leo Menke was thuis en als hoofdbode attent en galant

01-04-2020 Nieuws Kor Kegel

Het is 1993. CDA-raadslid Els Hellwig-Kuijpers en hoofdbode Leo Menke kijken in de camera van Roel Dijkstra. Het is bij de opening van de invalidenlift in het stadhuis op de Grote Markt, waarvoor Hellwig zich ingespannen had. Links zien we PvdA-wethouder Aad Wiegman en geheel links zien we een glimp van CDA-raadslid Piet Roosen

SCHIEDAM – Hij genoot nog volop van het leven. Dol op zijn kleinkinderen, trots op zijn dierbaren, staat in een gecirkelde tekst rond zijn portret in de overlijdensadvertentie. 
Leo Menke was een familieman. Een steun en toeverlaat voor zijn vrouw Betty, de drie kinderen en hun partners en de vijf kleinkinderen plus partners. Een kleine week voordat hij 83 jaar zou worden, stierf Leo Menke op zondag 29 maart in zijn woonplaats Schiedam.  

De lieve woorden van zijn familie: een doener, belangstellend, galant, zorgzaam – dat herkennen alle mensen die Leo Menke hebben meegemaakt meteen. “Hij was altijd attent en voorkomend”, zegt oud-burgemeester Reinier Scheeres. “Een man die alles wist, die hartelijk was en ook de problemen goed in het vizier had”, zegt oud-wethouder Aad Wiegman. 
Beiden hebben Menke jarenlang meegemaakt. Hij was de hoofdbode van de gemeente Schiedam. Als zodanig was hij de opvolger van Rinus Stoppel, die op maandag 17 april 1978 afscheid nam. “Een echte butler”, zei de nestor van de gemeenteraad, Cees Lansbergen, over de dienstbare Stoppel. Dat ‘butler’ bedoelde Lansbergen als groot compliment.

Menke had als hoofdbode dezelfde vaardigheden, belangstellend en behulpzaam, maar hij had ook een waakzame, kritische blik. “In het stadskantoor zat het college van burgemeester en wethouders vele jaren op de zesde etage. De eerste kamer van de lift was die van de hoofdbode. Menke ontving alle bezoekers en begeleidde ze naar de wachtkamer. Dan liep hij naar de burgemeester of een van de wethouders om te laten weten dat het bezoek gearriveerd was”, herinnert Aad Wiegman zich. 
“Maar hij had het ook goed in de gaten als er problemen waren, ook wanneer de gemeenteraad vergaderde en er rumoer op de publieke tribune was.” Dan kon Menke alert optreden.  

“Ik heb héél véél koppen koffie van hem gehad”, zegt Scheeres. “We gingen heel vriendelijk met elkaar om, wel in stijl, dat hoorde bij die tijd. Stropdas, uniform. Ik sprak hem altijd aan als meneer Menke. Maar toen hij met pensioen ging, spraken we af dat het voortaan Leo en Reinier zou zijn. Toen kon het. Maar een burgemeester en een hoofdbode moeten in het publieke verkeer niet jijen en jouen.”  

“Ik kwam hem op straat nog wel eens tegen”, zegt Scheeres. “Soms ging hij tennissen of had hij net getennist. Dat deed hij fanatiek.” “Ik heb heel goede herinneringen aan hem”, zegt Wiegman.

De bodes hadden meer functies. Ze zagen toe op het beheer van het stadskantoor aan het Stadserf en het oude stadhuis op de Grote Markt, ze coördineerden de bediening tijdens recepties, ze regelden ontvangsten en begeleidden huwelijksplechtigheden in het stadhuis. Zo raakte Menke ook bij veel Schiedammers zeer bekend.  

Leo was een kleuter toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Hij doorstond de Hongerwinter in 1944 in Schiedam, maar een jaar na de Bevrijding werd hij als ‘bleekneusje’ ondergebracht bij het pleeggezin Wierenga in het Groningse Uithuizen. In een interview met Caroline Nieuwendijk van het Gemeentearchief Schiedam haalde Menke op dinsdag 17 november 2009 herinneringen op. Het gezin Wierenga had twee dochters die doordeweeks naar de kostschool waren. Vader was een lokale autoriteit. De jonge Leo voelde zich er niet echt welkom, maar huishoudster Riet ving hem liefdevol op. Aangesterkt keerde hij na drie maanden terug naar Schiedam.  

De familie schrijft in de rouwadvertentie ook dat Leo Menke een man van weinig woorden was, op de achtergrond aanwezig, maar ook een genieter die van gezelligheid hield en kritisch was. En altijd in voor een geintje. Ook tijdens raadsvergaderingen in het stadskantoor. Als de latere nestor van de gemeenteraad, Gerard Verhulsdonk, door zijn platvinkje jenever heen was (wat hij onopvallend geledigd had), was Menke niet te benauwd om het platvinkje discreet te vullen.  

In oktober 1993 kregen de vijf gemeentebodes een nieuw uniform aangemeten. Het wat sombere driedelig bruine kostuum werd ingeruild door stemmig blauwe werkkleding. In het personeelsblad van de gemeente zei hoofdbode Menke niet trots te zijn op het uniform, maar: “Het hoort erbij. Ik doe mijn werk en dat moet in uniform. En soms hebben we er wel gemak van. Het straalt toch autoriteit uit. Bij het opvangen van lastige klanten kan dat wel eens handig zijn.”  

In zijn werk stond Menke zijn mannetje. Op het tennisveld ook. Tevens in de privésituatie: “Je was er altijd voor ons”, zegt de familie kernachtig.