Waarom het Monopole voor mij zo belangrijk is

11-04-2021 Nieuws Han van der Horst


COLUMN - Het Stedelijk Museum heeft zich uiteindelijk ontfermd over de voormalige bioscoop Monopole op de hoek van de Appelmarkt en de Hoogstraat. Daardoor blijft dit markante gebouw van de architect Stahlie voor onze stad bewaard. Jammer genoeg is het interieur zo zwaar beschadigd dat het niet meer zal lukken de oude bioscoopzaal in ere te herstellen. Die is voor mij persoonlijk van groot belang. De kans is groot dat ik zonder die zaal nooit zou hebben bestaan. Tenminste als ik mijn moeder zaliger mag geloven.

Laat ik bij het begin beginnen. Zij was akela bij de verkennerij, de katholieke tak van scouting. Als jong volwassen vrouw stond zij aan het hoofd van de meisjesafdeling. Zij is nog ingeschakeld bij het inzamelen van het voedsel dat tijdens de laatste dagen van de bezetting uit geallieerde vliegtuigen naar beneden kwam maar dat is een ander verhaal.

Mijn vader was baas bij de Voortrekkers, jongens van rond de twintig die zich nog steeds bezig hielden met het spel van verkennen. Teruggekeerd uit Duitsland behoorde hij denkelijk tot de oprichters van de Jan van Hoofstam, genoemd naar een Nijmeegse Voortrekker die als oorlogsheld was gesneuveld toen hij de Amerikanen hielp bij het veroveren van de Waalbrug. Nu dan het verhaal van mijn moeder. Ze werd uit gevraagd door een engerd, die zij moeilijk kon weigeren omdat hij van katholieken huize was. “Hij wilde met mij naar het Monopole, ook dat nog!”, rilde mijn moeder. Nette katholieke jongens meden het volkse Monopole. Ze namen hun meisjes mee naar het Passage Theater. Daarna gingen ze iets drinken bij de Amstelbron, De Kroon of het Vierkantje. Dat waren de enige horecagelegenheden in Schiedam waar een net katholiek meisje zich mee naar toe liet nemen. Bij de Verkenners klaagde mijn moeder haar nood. Mijn vader hoorde dit. “Laat dat maar aan mij over”, zei hij, man van weinig woorden als hij toen blijkbaar al was.

“Die engerd wou de hele film handje vasthouden”, vertelde mijn moeder. “Hij was klef. En door hem moest ik me thuis laten brengen.” Eindelijk was de voorstelling afgelopen. In het gezelschap van de engerd stapte mijn moeder met de dood in het hart de treden van de uitgang af. Daar kwamen heel toevallig mijn vader met zijn Voortrekkers voorbij. “Hee, Ans”, zei mijn vader. “Wat leuk! Waar ga jij naar toe?” “Ik ben op weg naar huis!”, antwoordde mijn moeder. “Dat is ook toevallig”, reageerde mijn vader. “Daar komen wij toevallig langs. We lopen gezellig mee.” Zo gebeurde het dat de engerd geen kans kreeg zijn lippen te tuiten en alleen maar met een handdruk afscheid kon nemen van mijn moeder. Ongekust en opgelucht trok ze de huisdeur achter zich dicht (welke deur? Sint Liduinastraat 100b). Pas toen vervolgden mijn vader en zijn maten hun weg.

Een week later maakte hij zijn eerste move. Hij nam haar mee naar het Passage Theater en de Amstelbron. Daarna bracht mijn vader haar netjes thuis. Zonder één moment klef te worden. Hij wist immers hoe het hoorde.

Een andere herinnering van mijn moeder had te maken met de uitspanning in het Sterrenbos. Ze zaten daar samen op zondagmiddag iets te drinken en uit de luidspreker klonk Rum and Coca Cola van de Andrews Sisters. Die middag zal het wel dik aan zijn geworden. Ik heb geen idee hoe mijn vader het huwelijksaanzoek heeft ingekleed. Ze trouwden in 1948 nadat hij de zolder van zijn schoonouders had verbouwd tot een gezellig liefdesnestje waar met veel passen en meten ook plek zou kunnen worden gevonden voor een kind. Ik kwam een jaar later. Deken Reijnen heeft mij persoonlijk in mijn wiegje gezegend. Toen hij de trap afliep naar beneden, riep hij mijn vader en moeder toe: “Tot volgend jaar.”

Dus u begrijpt, dat Monopole is voor mij van wezenlijke betekenis.



Gerelateerd