Dicht op roem en faam, Schiedams nuchter aanwezig: Rob de Leede

06-12-2020 Uit Ted Konings


SCHIEDAM – Soms was hij op tv te zien voor of na de wedstrijden van het Nederlands Elftal. In een flits, want vaak dirigeerde hij zichzelf zo snel als mogelijk ook weer uit beeld. Voor iemand die zo dicht op roem en faam zat, was hij opvallend onopvallend, ondanks zijn lange lijf: Rob de Leede.

De voormalig Schiedammer werkte bij de KNVB, als perschef. Hij was het oliemannetje tussen pers en spelers en trainers, na wedstrijden, voor wedstrijden, tussen wedstrijden, op grote toernooien. Maar hij was ook de man die Voetbal Totaal, het maandblad van de voetbalbond ‘vol’ moest schrijven. En persberichten namens de bond op moest stellen. En telefoontjes moest beantwoorden toen heel Nederland naar München wilde en in Zeist aan de lijn hing voor ‘kaartjes’.

In ‘Schaken met Edgar Davids’ beperkt De Leede zich vooral tot de gang van zaken rond het Nederlands Elftal. Hij geeft mensen die hem ervan betichten een enorme mazzelpik te zijn omdat hij meemaakte wat hij meemaakt direct gelijk. En het mooie is: hij ambieerde het eigenlijk niet.

De Leede raakte door toevallige factoren in die rol: als doctorandus in de Engelse letteren en sportverslaggever van Het Vrije Volk wordt hij bij de voetbalbond aangenomen als redacteur van het maandblad. Zijn eerste salaris krijgt hij in maart 1988, inderdaad enkele maanden voor Oranje zijn eerste en laatste titel wint op een groot toernooi.

Maar de perschef van dat moment kan niet uit de voeten met Rinus Michels en De Leede wordt daarop de assistent van de invaller als perschef. Zo maakt hij kennis met Van Basten en Rijkaard en Gullit en al die andere voetballers die op dat moment wereldnieuws zijn – ‘de Messi’s en Ronaldo’s van toen’. Wedstrijden maakt hij in Duitsland slechts als toeschouwer mee, maar dat verandert in de toernooien in de jaren daarop.

De Leede vertelt er smeuïg over in zijn eerste boek, een nieuw bewijs dat Corona ook veel moois oplevert. Het wordt een inkijkje in de wereld van het Nederlands Elftal, maar wel steeds met een knipoog en een voorliefde voor de anekdote. “Ik wil iets leuks bieden in deze tijd. Johan Derksen vond het een te net boek”, vertelt De Leede zelf. “Wij houden van ranzige boeken zei hij.” Derksen wil graag dat het schuurt, maar zo’n boek is het dus niet geworden. Wel geven de schrijverijen van De Leede een goed beeld hoe dat gaat, tussen voetballers en trainers en de pers tijdens zo’n toernooi, maar ook daarvoor en daarna, en wat de rol van een persvoorlichter is. “Het was een tijd dat de pers nog heel dicht op de spelers zat.”

De humor is nooit ver: zoals Schiedammers even opletten als ze De Leede door de jaren heen op tv zien, zo schijnt er nog een dame met de naam Truus te zijn die in dat geval regelmatig van haar Louis te horen krijgt: ‘je ex is op tv’.

Het boek is er omdat De Leede ooit aan zijn vriendenclub die hij vermaakte met anekdotes uit de Oranje-koker, tijdens een lang weekend uit beloofde voor zijn vijftigste al de verhalen op papier te zetten. Het kostte hem tien jaar meer, maar hé, Corona zorgde voor tijd in de agenda. Dagelijks zou hij vijftienhonderd woorden neerpennen, zo nam hij zich voor, hetgeen geschiedde. “Na de eerste dag achter de pc in maart, ben ik begin juni gestopt.” De uitgever die hij daarop vond – Edicola – stelde echter voor het bij vijftigduizend woorden te laten. Dus dat werd schrappen.

Nog meer dan in zijn eerste versie houdt De Leede het nu op verhalen rond het Nederlands Elftal; de belevenissen op het bondskantoor in Zeist en op reis met andere vertegenwoordigende elftallen, die komen wellicht nog eens in een volgend boek. “Mijn eerste reis was naar een toernooi in Tsjechoslowakije, voor Oranje onder achttien, met Bryan Roy en Frank de Boer.”

Het boek leest aan de hand van de EK’s en WK’s die De Leede meemaakte, eerst namens de KNVB, later voor de Uefa en Fifa als contactman voor de media namens de organiserende instanties. Het boek is met die ruggengraat ook een kostelijke terugblik op veel gloriejaren van Oranje, met dito sterren door de jaren heen.

Veel staat er ook niet in, aldus De Leede. Dat blijkt nu mensen die zijn boek gelezen hebben hem ‘helpen herinneren’. De Leede schrijft wel over de terugvlucht vanuit München na de gewonnen EK-finale, in een vliegtuig van Martinair met aan boord baas Martin Schröder die geheel terecht wordt toegezongen met de woorden ‘hij heeft een slokkie op’. De zangers worden niet uit het vliegtuig gezet maar belanden gewoon in het gekkenhuis dat Nederland op dat moment is. Typerend voor De Leede is wel dat hij op dat moment besluit vanaf het vliegveld in Eindhoven de auto naar Schiedam te pakken, in plaats van mee te feesten op weg naar en in Amsterdam, die historische grachtentocht die iedere Nederlander nog op het netvlies staat.

“Maar wat ik over het hoofd heb gezien om op te schrijven is de zakloopwedstrijd aan boord van het vliegtuig die we hebben gehouden met vuilniszakken die we van de stewardessen kregen, tot grote hilariteit.” Reservekeeper Stanley Menzo was een van de zaklopers. Hij kreeg het verhaal van de week te horen, ‘waarom heb je dat niet verteld?’. Gewoon, vergeten. De Leede heeft voor het boek uit zijn geheugen geput; door de jaren heen schreef hij weinig op. “Het bewijst dat je in je herinnering ook vergeet.” De Leede rakelde aan de hand van knipsels en toegangspasjes en lijsten met uitslagen zijn herinneringen op. “Je denkt toch niet dat ik van al die toernooien nog alle spelers kan noemen…?!”

Leuk is te lezen hoe De Leede zich ook door de jaren heen ontwikkelt, en hoe zijn vak steeds serieuzer wordt opgevat. Waar het in 1988 nog helemaal niet zo gek is dat hij en een bijna net zo groene chef het contact tussen pers en de wereldsterren op het veld in goede banen moeten leiden, is dat op het WK in 2014, godsonmogelijk. Een belangrijke les die de persvoorlichter opdeed: “Geef journalisten, vooral fotografen, een halve meter en ze pakken er twee, geef ze een meter en ze pakken er vijf.” Door schade en schande wijs, vat De Leede zijn ervaring samen.

Maar vroeg in zijn carrière of laat, centraal stond in zijn werk en in het boek dus ook, voor De Leede toch de liefde voor de sport. “Die heb ik van huis uit meegekregen”. Rob de Leede is er ‘eentje van’ de melkboer/kruidenier uit de Gorzen, een gezin dat met drie zonen een van die sterkhouders van Excelsior’20 werd. De schrijver draagt ook zijn boek op aan zijn vader. “Pa was een groot sportliefhebber. Hij hield van voetbal en cricket, het maakte hem niet wie er won of verloor, als sport maar goed gespeeld werd. Hij hield ons voor dat we beter sportief konden verliezen dan oneerlijk winnen. Hij spelde de sportkranten, alle voetbaluitslagen, het Rotterdams Nieuwsblad, het Vrije Volk. Daar was hij uren mee bezig. Dan kon hij zeggen: ‘SVV 8 heeft ook weer met grote cijfers verloren. Dat gaat niet goed daar, vorige week liepen ze ook al tegen een zeperd op’. Hij had zelf graag sportjournalist willen worden, maar raakte op jonge leeftijd als invaller voor zijn twee broers die naar Indië gingen al zo vastgebakken aan zijn werk dat dat er nooit van gekomen is.” Genieten van mooie sport, ook al is die mooie actie van de tegenstander, dat stond voor vader en zoon voorop.

En we doen wel normaal. “Pa was wel trots op ons, maar nooit zo complimenteus. ‘Leuk gedaan’, veel meer was het niet.” Zo met-beide-poten-op-de-grond pakt ook Schaken met Edgar Davids uit. “Ik heb het opgeschreven zoals ik ben: dankbaar dat ik het heb mogen doen terwijl ik min of meer toevallig op die plek ben gekomen. Dankbaar dat is zo veel dingen van dichtbij heb mogen meemaken. Die voetballers waar tienduizenden jongetjes en mannen in Nederland zich aan hebben vergaapt, heb ik onder de douche zien staan.” Maar daar bleef het ook bij. “Ik heb nooit pogingen gedaan dichter bij de spelers te komen. Als ze gingen stappen vroegen ze nog wel eens of ik meeging. In 1993, in Boston in Amerika heb ik dat een keer gedaan, maar na een uur heb ik de taxi terug naar het hotel genomen. Dat was niet voor mij: wat ze drinken, hoe ze meiden versieren.”

Je bent als persvoorlichter voortdurend met de voetballers samen. Maar je bent er niet op uit vrienden te worden. “Als ik ze nu nog tegenkom maak ik een praatje. Maar voor mijn verjaardag nodig ik ze niet uit.” En al dat reizen is natuurlijk mooi, maar ‘ik was in vier jaar vijftien keer in Lissabon geweest’. “Pas de zestiende keer ben ik in de stad gaan kijken…”

En dat alles voor een sport die het moeilijk heeft, zoals bijna alle sport in Coronatijd. “Ik heb afgelopen halfjaar gezien dat voetbal wel veel mensen bezighoudt, maar dat het vooral leuk is als mensen dichtbij elkaar kunnen zijn. Voetbal is een echte belevingssport.” Die moet je in het stadion kijken; zelfs thuis op tv is het minder zonder de ambiance van het stadion. “Het is nu zo klinisch; ik heb zelf ook niet veel voetbal gekeken de laatste tijd.”

Dan is het misschien leuker om te lezen van avonturen in vervlogen tijden, met helden die ons collectieve geheugen vullen. Rob de Leede zal op 13 december zijn boek signeren bij Post Scriptum.

Bekijk de foto's


Gerelateerd