Ik was erbij is een noodzakelijk boek

02-10-2020 Uit Han van der Horst


RECENSIE - Op het eeuwfeest van het Lyceum Schravenlant is zijn naam bij de oudere jaarklassen ongetwijfeld gevallen: meneer van Ravesteijn, docent Duits van de oude stempel. Hij trad al aan toen deze school nog een Rijks HBS was. Na zijn pensionering liet hij als verstokte Hagenaar Schiedam voor wat het was.

Een paar maanden terug kwam de heer A.F. van Ravesteijn ineens landelijk in de publiciteit. Zijn bij uitgeverij Cossee verschenen memoires over drie jaar bij de arbeidsinzet tijdens de Duitse bezetting trok grote aandacht. Onder de titel Ik was erbij. Dwangarbeider in Duitsland 1942-1945 geeft hij een minutieus verslag van zijn verblijf in Buer vlakbij Gelsenkirchen, waar hij werd toegewezen aan een groot met de kolenmijn Hibernia verbonden werkkamp. Daarnaast werden Russische krijgsgevangenen vastgehouden.

Van Ravesteijns verhaal vertoont enige parallellen met dat van mijn vader die net als veel Schiedammers van zijn leeftijd niet aan de arbeidsinzet wist te ontkomen. Hij zou – als hij nog leefde – zeker het nodige herkend hebben in Van Ravesteijns herinneringen, bijvoorbeeld de toeschietelijkheid van de Duitse meisjes, waaraan hij naar eigen zeggen altijd weerstand heeft geboden. Of de bombardementen. Van Ravesteijn maakte er één mee, liggend in het vrije veld en dat verhaal lijkt sprekend op wat mijn vader soms op verjaardagen vertelde over de Amerikaanse luchtaanval op het vliegveld van Bad Voslau. Ze hadden het gemunt op de startbaan waar hij en zijn lotgenoten zich een ongeluk aan hadden moeten werken. Hij gaf dan met duim en wijsvinger de grootte van de Flying Fortresses aan. ¨Zó hoog vlogen ze¨.

Ook had mijn vader zeker vastgesteld dat die schrijver een luizenbaantje had vergeleken met het gros van de dwangarbeiders die zware lichamelijke en ongeschoolde arbeid moesten verrichten. Hij was net als Van Ravesteijn in 1942 de klos, nadat Duitse commissies van vaklieden Nederlandse bedrijven hadden uitgekamd op zogenaamd overbodig, jong personeel. Daarbij werden de drukkerijen zwaar getroffen. Mijn vader was typograaf, ik meen ergens in Delfshaven, en Van Ravesteijn werkte op kantoor bij de zeer gerenommeerde drukkerij/uitgeverij Mouton in Den Haag.

Wie werd opgeroepen voor de arbeidsinzet, ging per trein naar de opgegeven bestemming. Van Ravesteijn moest zich als jongeman van negentien melden voor een reis naar Hamburg waar hij te werk gesteld zou worden in de metaalindustrie. Op ongeveer een derde van de rit stopt de trein vol dwangarbeiders plotseling middenin het veld. Van Ravesteijn krijgt de indruk dat ze vanuit de lucht door geallieerde vliegtuigen worden aangevallen en hij stapt uit. Dan trekt de trein plotseling op. Hij kan niet meer instappen. De lotgenoten in de coupé hebben nog de tegenwoordigheid van geest zijn bagage uit het raam te gooien.

Van Ravesteijn blijkt zich in de buurt van de mijnstad Recklinghausen te bevinden. Dan geeft hij blijk van een karaktertrek die hem de komende jaren zeer van pas zal komen: hij kan de omstandigheden naar zijn hand zetten. Dit is misschien een kans om aan de Hamburgse metaalindustrie te ontkomen. Van Ravesteijn meldt zich met zijn Mulo-Duits bij het arbeidsbureau van Recklinghausen waar hij een vriendelijke dame in zijn beste Mulo-Duits uitlegt dat hij geknipt is voor administratief werk. Hij vergroot zijn geloofwaardigheid door een in het Duits aan hem gedicteerde aanbevelingsbrief foutloos uit te typen. Met die brief krijgt hij een kantoorbaan in het verzamelkamp Bergmansglück in het nabije Buer.

In Ik was erbij legt Van Ravesteijn nauwkeurig uit hoe hij dat allemaal voor zichzelf weet te regelen. Ook zorgt hij ervoor dat hij niet in het kamp gehuisvest wordt, maar buiten een kamer mag huren. Daardoor kan hij zich voor een belangrijk deel onttrekken aan het smakeloze voedsel dat voor de dwangarbeiders wordt bereid. Met dat eten heeft Van Ravesteijn op een andere manier juist veel te maken. Hij moet op grond van de door de Duitse voedseldistributie toegekende rantsoenen, elke dag precies het gewicht berekenen van de ingrediënten die de kampkok mag gebruiken. Ook tikt hij de knipkaarten op naam uit die de arbeiders in de kantine moeten laten zien. Dat stelt hem in staat voor zichzelf er eentje extra te maken. Dat is nog niet alles. Door zijn vriendelijk gedrag en zijn beschaafd voorkomen wint Van Ravesteijn snel het vertrouwen. Hij mag nu ook de knipkaarten voor de Duitse mijnwerkers uittikken. Zij krijgen in hun eigen kantine veel beter te eten. Zij ontvangen daarnaast bijzondere toedelingen. Dat is een nieuwe bron voor extra bronnen en dus meer eten. Ook ziet Van Ravesteijn kans langs deze weg aan sigaretten, flessen Schnaps en blikjes sardines te komen waar je goede zaken mee kunt doen: op de zwarte markt en door ze aan te bieden in ruil voor gunsten. Hij ziet zelfs kans op ingenieuze wijze toegang te krijgen tot officiële stempels van de politie en de hoofddirectie van de mijn, noodzakelijk om voor zichzelf verlofkaarten uit te schrijven. Als hij bovendien op moet treden als tolk voor de kampdokter, weet hij ook nog aan ziekverklaringen te komen. Uiteraard gaat Van Ravesteijn hier heel voorzichtig en spaarzaam mee om.

Toch gaat het een keer bijna mis en dat levert een spannend verhaal op over het verblijf als verdachte/dwangarbeider in een Duitse cel. Van Ravesteijn wordt onverhoeds losgelaten.

Van Ravesteijn vertrekt elke dag direct na het werk naar zijn kamer in Buer, waar een bioscoop, een danszaal en verscheidene kroegen lokken. Hij ontmoet daar leuke meisjes. Zij zijn zonder uitzondering aanzienlijk minder preuts dan zijn Nederlandse verloofde die hij op de katholieke dansschool heeft ontmoet. Van Ravesteijn is zeer open over zijn veroveringen al kun je misschien beter zeggen dat hij veroverd wórdt. Buer is een stad van vrouwen, sinds alle mannen in de kracht van hun leven aan het front vechten. Hun liefjes en echtgenoten zijn ver weg, vermist, gesneuveld of krijgsgevangene. Uiteindelijk knoopt Van Ravesteijn een vaste, op liefde gebaseerde relatie aan met Anneliese – man vermist – tien jaar ouder dan hij, die zo geweldig kan dansen.

Mede dankzij deze verhalen schetst Van Ravesteijn een boeiend beeld van hoe het er aan toe ging in een Duitse provinciestad tijdens de Tweede Wereldoorlog. De lezer stelt vast dat iedereen probeert het dagelijks leven zoveel mogelijk op de oude voet voort te zetten. En ook hoe lang men blijft hopen op de overwinning.

Van Ravesteijn zelf gaat één keer per week op een vaste avond met twee Nederlandse lotgenoten in een café biljarten. Ze houden dat vol tot in april 1945 de Amerikanen Buer innemen.

Over het algemeen is iedereen correct tot zeer vriendelijk voor de jonge Nederlander, die een grote liefde voor de Duitse taal opvat. Als hij Goethe´s Faust in handen krijgt, wordt hij door de kracht van deze grote Duitse schrijver als door de bliksem getroffen. Ook op het werk zijn de collega´s en superieuren op een enkele uitzondering na correct en vriendelijk. Ze verduitsen zijn roepnaam Louis meteen tot Ludwig en zijn achternaam tot Von Rabenstein, wat duidt op een adellijke afkomst. De meesten zijn in de oorlog gehandicapt geraakt zodat ze niet meer geschikt zijn voor de krijgsdienst en evenmin voor het zware werk in de mijnen. Anders hebben zij stoflongen. De bewakers van de krijgsgevangenen zijn eveneens door oorlogsverwondingen kriegsuntauglich.

Toch bekommeren deze beschaafde en correcte mensen zich niet om het feit dat Oekraïense dwangarbeiders en zeker de Russische krijgsgevangenen veel te weinig eten krijgen, afgezet tegen de loodzware arbeid die zij in de kolenmijn moeten verrichten. Niemand bekommert zich om de geheide nazi Schulz die er een speciaal kamertje opna houdt, waar hij met een zware leren zweep Russen afranselt. Ze kijken – om een moderne term te gebruiken – massaal weg. Dat gebeurt ook als Van Ravesteijn ineens wordt opgepakt.

 

Zo weet Van Ravesteijn op een veel prettiger wijze te overleven dan zijn meeste lotgenoten. En dan zijn er ook nog die romantische escapades, een wezenlijker element in de arbeidsinzet dan valt op te maken uit wat de dwangarbeiders na terugkeer in Nederland over het algemeen vertelden. Het gaat tenslotte om vrijen met de vijand, iets wat bij Van Ravesteijn trouwens aanvankelijke ook enige gewetenswroeging oplevert. Regelmatig piekert hij trouwens over het feit, dat al die aardige Duitsers het kwaadaardige naziregime en figuren als Schulz toch maar dulden.

Vanaf halverwege 1942 nemen de geallieerde luchtaanvallen op Duitsland sterk toe. Het industriële Ruhrgebied met zijn vele mijnen is een van de belangrijkste doelwitten. Luchtalarm en bombardementen met honderden doden zijn op den duur bijna dagelijkse kost. Van Ravesteijn stelt vast hoe juist woonwijken zwaar getroffen worden en hoe de Duitsers met ploegen specialisten niet alleen de productiecapaciteit maar ook water, gas en licht bliksemsnel weten te herstellen, soms zelfs na enkele uren. Toch brengt hij met zijn lotgenoten steeds meer tijd door in de schuilkelder. Behalve de Russen, want die worden daar als Untermenschen niet toegelaten. Van Ravesteijn maakt in de weekenden met de tram uitstapjes om de schade in ogenschouw te nemen, met name in Essen, maar hij komt ook enkele malen in het verwoeste Düsseldorf terecht. Daar heeft mijn vader het zwaarste bombardement meegemaakt. Hij vertelde dat de zon vanwege de stofwolken twee dagen lang niet zichtbaar was.

Zodra het Amerikaanse leger Buer bezet, meldt Van Ravesteijn zich als tolk want hij spreekt inmiddels perfect Duits. Ook kent hij de hele terminologie uit de mijnbouw. Zijn Mulo-Engels heeft onder het verblijf in Duitsland niet geleden. En zo smaakt hij het genoegen dat hij in een luidsprekerwagen door de inmiddels stevig beschadigde stad mag rijden met het bevel aan de burgers onverwijld hun radio in te leveren.

Van Ravesteijn is nog drie jaar in Duitsland gebleven. Als de Engelsen Buer bezetten nemen zij hem voor een fors salaris in dienst met het recht om in de Britse soldatenkantine mee te eten, wat gezien de hongersnood in het Duitsland van na de capitulatie veel belangrijker was. Hij wordt tolk van gespecialiseerde officieren die moeten proberen de Duitse kolenproductie weer op gang te brengen. Wat deze periode van zijn leven betreft is Van Ravesteijn zeer kort van stof. Hij vertelt niet veel meer dan dat hij in 1948 naar Nederland terugkeerde – zonder Anneliese. Hij haalde vervolgens de bevoegdheden om in het middelbaar onderwijs Duits te geven.

Het is zeker voor de Duitse geschiedenis jammer dat hij zijn belevenissen van na de capitulatie niet heeft beschreven. Memoires over zijn werk als bezetter in een verslagen en grotendeels vernield Duitsland zouden zeker dáár meer dan welkom zijn. De periode tussen wat wordt aangeduid als Stunde Null en de stichting van de Bondsrepubliek is buitengewoon interessant. Vooral omdat steeds duidelijker wordt dat die Stunde Null ondanks deze benaming bij lange na geen nieuw begin was en dat de geallieerde overwinnaars al snel berustten in het feit dat het land zonder al die nazi’s en meelopers niet op te bouwen viel.

Van Ravesteijn is kort nadat hij zijn boek in handen kreeg, op 97-jarige leeftijd overleden. Je mag hopen dat hij nog veel meer op schrift heeft nagelaten, maar de kans daarop is niet zo groot. Naar eigen zeggen heeft hij tien jaar aan Ik was erbij gewerkt. Het is een zeer belangrijk historisch document dat nieuw licht werpt op de werkelijkheid van de arbeidsinzet, ook al nam de auteur door dat luizenbaantje een uitzonderingspositie in. Diezelfde positie stelde hem echter in staat heel veel dingen waar te nemen die verborgen bleven voor de ploeteraars aan de machines.

Zeker als bij u in de familie nog verhalen rondgaan over opa´s belevenissen in Duitsland, is Ik was erbij een noodzakelijk boek.


A.F. van Ravesteijn, Ik was erbij. Dwangarbeider in Duitsland 1942-1945. Amsterdam 2020. Cossee. ISBN 978 90 5936 7821 ?NUR 320 E-ISBN 978 90 5936 9313. 510 pagina´s. Prijs: 39,99 euro


Gerelateerd