Waar zijn de besproeide nachten van weleer (3)

19-01-2020 Uit Han van der Horst


COLUMN - Eerder deze week schreef Joke van Blikkerswijk een fraaie herinnering op aan restaurant Vidocq op de Broersvest. Dit naar aanleiding van mijn zondagse column. Vidocq werd bestierd door Frans van Harmelen, telg uit het bekende aan de even beroemde familie Leermakers vermaagschapte kasteleinsgeslacht. Het mooie is: ik heb zes jaar lang met Frans in de klas gezeten op de Sint Jozefschool waar wij degelijk katholiek onderwijs genoten en bijvoorbeeld van mijnheer de nestor antwoord kregen op de vraag: “Wat moet iemand met een onvolmaakt berouw doen als hij een doodzonde biecht en de priester weigert hem de absolutie”. Antwoord van mijnheer de nestor, die theologisch geschoolde en heilige man: “Dan gaat hij naar een ander”.

Daar wil ik het verder niet meer over hebben. De school van vroeger komt later nog wel eens aan de orde. Een zeer bekend lid van de natte gemeeente uit de tijd dat die nog wat voorstelde, was Ruud van Houwelingen. Hij woonde op de Julianalaan omdat – wisten wij allemaal zeker – hij ooit de staatsloterij had gewonnen. Ruud was de hoofdredacteur van het Nieuwe Stadsblad, dat toen nog twee keer per week verscheen en bulkte van de advertenties. De Schiedammers vonden kranten in de bus van veertig tot in de zestig pagina’s. Ruud had overal ingangen want Schiedamse prominenten uit alle geledingen vreesden de scherpte van zijn pen, hoewel zijn stukken uiteindelijk altijd wel mild uitvielen. Ruud had het vak bij regionale kranten in het oosten van het land geleerd. Hij wist dat je met een al te bittere toon of te eenzijdige kritiek lezers wegschreef. En adverteerders ook. Maar zo klonk hij niet in café het Vierkantje. “Mensen”, zei hij dan, “mensen, ik heb vandaag weer een buitengewoon rechts stuk geschreven”, want dwars was Ruud wel. In zijn grote tijd was links juist trendy. Hij provoceerde met overgave, vooral als er een borrel voor zijn neus stond, wat vaak het geval was.

Ruud was ook de oudste van de journalisten langs de Waterweg. Jan Maneij, getalenteerd voorlichter bij de gemeente Vlaardingen, riep dan ook consequent: “En daar is de nestor!”, als hij Ruud in het oog kreeg.

Dat liet Ruud zich graag aanleunen: hij was de nestor van het plaatselijke journalistengilde. Hij was groot en onaantastbaar. Hij gaf de toon aan. Hij was de onofficiële vertegenwoordiger van ons allemaal.

Na begrafenissen zei Ruud bij de koffie en de cake steevast: “Laten wij handelen in de geest van de overledene”. Dan begaven wij ons naar de tapkast voor weer een legendarische avond. Althans, we dachten dat we er een legendarische avond van maakten, want we namen onszelf en vooral ons gelal uiterst serieus.

Nadat Ruud van Houwelingen zich tot een legende had gemaakt in Schiedam, herhaalde hij deze prestatie met misschien nog wel meer verve onder de haringkoppen, waar hij de leiding kreeg van Groot Vlaardingen, het zusterblad van het Nieuwe Stadsblad.

Toen ging Ruud met pensioen. Het was een buitengewoon volle bak op zijn afscheid. Alle prominenten van de streek verschenen om te zien of hij werkelijk de deur van de redactie voor het laatst achter zich had dicht getrokken.

Dit bleek inderdaad het geval.

De volgende dag zagen al die prominenten en prominentjes Ruud niet meer staan. Hij was onbelangrijk geworden. Hij kon niets meer voor hem betekenen. Ten goede noch ten kwade. Ze hadden geen oog meer voor hem en geen tijd.

Ruud is eenzaam overleden. En te vroeg... Hij had zich natuurlijk altijd verwaarloosd.


Gerelateerd