Categorieën

Service

Tonny Heeren, honderd

Tonny Heeren, honderd
Gezond

Tonny Heeren, honderd

  • Ted Konings
  • 13-02-2024
  • Gezond
Tonny Heeren, honderd

Tonny Heeren, (met stropdas), afgelopen zondag tijdens een 'voorfeestje'; foto: Anita Holierhoek


SCHIEDAM - “Ik voel wel dat ik ouder word”, zegt hij. Tonny Heeren wordt honderd. 

Het is uitzonderlijk, en toch zat het er altijd al in. Deo volente natuurlijk, zo stelde hij zelf, want Tonny is een overtuigd gelovig man. Hij sprak zijn woorden afgelopen week uit. Maar die honderd, die heeft hij gehaald: vandaag is het zo ver.

Zijn moeder werd 81 jaar oud. Zijn vader 98. Hij had een zus, die in Coronatijd spijtig genoeg is overleden. Zij werd 94. Zijn jongere broer 98.

Van 13 februari 1924 is hij, ook toen was het carnaval. “Ik voel wel dat ik ouder word. Tot voor kort voelde ik me heel goed, ik mankeerde niks. Maar een half jaar geleden kreeg ik last van de benen.” Maar voor iemand die er al zo veel kilometers op heeft zitten… 

Oké, hij loopt, tegenwoordig ook in huis, met een rollator. Best handig, als je koffie of thee serveert en dat zelf de gasten voorzet: is de rollator je rijdende dienblad. 

Het typeert de bijna eeuweling: eenvoudig, dienstbaar, inlevend. “Ik ga nog steeds voor in diensten.” Dat zijn eucharistievieringen in Frankeland. Tonny Heeren is priester, en pater salesiaan. Dat betekent dat hij is ingetreden in de religieuze congregatie die zijn oorsprong vindt in het leven van de heilige Don Bosco. 

In de gang van zijn (aanleun)woning hangt een tegel: van het concert des levens heeft niemand een program. Nou, dat is waar, al een eeuw lang, maar eigenlijk ook weer niet. Als je Tonny Heeren vraagt waar het nu eigenlijk om gaat in het leven, dan zegt hij: de liefde. En de liefde is: iets betekenen voor de medemens.

“Ik heb een mooi leven achter de rug”, vertelt Tonny Heeren. “Ik vind het niet erg om dood te gaan. Ik heb God mogen dienen, als priester in zijn wijngaard mogen werken.” En dat doet hij dus nog steeds, als hij voorgaat in de diensten, of bij iemand wordt geroepen die hem vraagt het sacrament van de zieken toe te dienen. “Tegenwoordig noemen we dat het sacrament van troost en bemoediging.”

Het gehoor, zegt hij, laat wat te wensen over. En de benen dus. Maar elke dag probeert hij een stukje te wandelen. Dat gaat ook nog wel eens naar de stad, zijn ‘grote ronde’. Voorheen altijd naar de grootgrutter in de Lange Kerkstraat, sinds kort naar de concurrent in de Broersveld. Net zo ver, en toch wat goedkoper. “Dat is toch de sport, om te kijken wat de koopjes zijn. Voor de dagelijkse boterhammen, wasmiddelen. Meestal een keer in de week.” Voor het eten kan de pater aanschuiven in de ‘brasserie’ van Frankeland. De korte wandeling gaat trouwens nog al eens naar de bloemenwinkel, ‘bloemen kijken’.

Als religieus in het klooster was zijn leven bescheiden waar het om spullen of luxe ging. Daarbij was Heeren ook econoom van de orde. “Ik was zuinig voor mezelf, maar voor anderen niet krenterig.” Econoom van de provincie, dat waren de verschillende kloosters van de salesianen in Nederland. “Je kon me zien als hoofd van het kantoor.” Overzicht houden over wat er binnenkwam en uitging, maar ook overzichten en jaarverslagen maken. Ook daar was de soberheid die door de salesianen wordt gepredikt, altijd leidend. Heeren was bestuurder van de Nederlandse provincie van de congregatie tussen zijn vijftigste tot vijfenzeventigste. Een kwart eeuw geleden dus al.

Zijn wieg stond in Maassluis. “Van kinds af aan wilde ik priester worden.” Dus ging hij eerst naar het kleinseminarie, zeg maar het gymnasium voor de jongens die een rol in de kerk ambieerden. Dat was in Leusden. Maar toen werd het oorlog en confisqueerden de Duitsers het seminarie. Een spannende tijd, ‘maar ik heb niet echt honger geleden, één maaltijd was er iedere dag wel’. Daarna volgde hij de opleiding in Ugchelen, dan daarna het grootseminarie, de eigenlijke priesteropleiding, voor een deel ook in het buitenland. Toen Heeren dertig jaar was werd hij tot priester gewijd. 

Waarom die keuze? “Zo wilde ik God dienen. Daarvoor had ik gebeden en gestudeerd.” Hij had een neef die ook priester was, dat gaf een indruk; zijn ouders dwongen hem nooit. “Ze gaven me wel de kans om te studeren, ook door hun financiële offers.” En het mooie: “In die zeventig jaar nadien heb ik er geen dag spijt van gehad. Niet dat ik niet graag was getrouwd - heel graag zelfs. Maar ieder mens moet kiezen en ik koos voor het priesterschap.”

Terugkijkend op een lang leven is Tonny Heeren vooral dankbaar. “Dat ik dienstbaar kon zijn aan medemensen. En dat ik er naar vermogen ja op heb gezegd. Ik vind het fijn dat ik dat kan zeggen.” 

“Ik voel me nog in staat om vrijwilligerswerk te doen. Ik wil mee voorgaan, mijn diensten aanbieden. Ik ben de oudste vrijwilliger hier.” Dat gaat ook na zijn verjaardag niet veranderen. 

“Ik ben een positief mens, ik zie graag het goede in de mens. Ik heb veel goed mogen doen, tenminste, dat denk ik. Kan me geen zwarte bladzijde in al die jaren herinneren.”

De dag na het gesprek wordt het feest van Don Bosco onder elkaar gevierd. Dat gebeurt in Assel, bij Apeldoorn. Tineke Baartmans, een lieve vriendin en steun rijdt hem erheen. “Ik kan ook wel met de Valys, maar mag altijd een beroep op haar doen.” Veel gezelliger ook. De dag is ‘een beetje een reünie’. Want heel vaak zien de paters en broeders elkaar niet meer, op de hoge leeftijd die de meesten bereikt hebben. “Ik denk dat er nog een stuk of vijftien zullen zijn in Assel.”

“We hebben dan samen een viering, koffie, eten, een praatje hier, herinneringen ophalen daar. Het voelt voor mij als familie.” De Nederlandse tak van de congregatie is echt ‘op leeftijd’. “Ja, de ordes en congregaties zijn uitstervend in Nederland. Maar we hebben ook kloosters in India en Indonesië.” Soms ziet Heeren de paters uit die landen ook hier in Nederland.

“Heel jammer, dat de toekomst van de salesianen in Nederland er niet lijkt te zijn. Maar ik kan er ook niets aan doen. Ik heb mijn best gedaan; ik doe mijn best.” Behalve in bejaardenhuizen en verpleeghuizen kent de congregatie in Nederland nog twee huizen: in de Amsterdamse Calandstraat en in Assel. “Dat laatste is vooral gericht op het jeugdwerk.” Altijd een belangrijk onderdeel van de roeping van de Salesianen: Don Bosco werd beroemd en gevolgd vanwege zijn inzet onder de straatkinderen van Turijn, in de negentiende eeuw, toen de industrialisatie op gang kwam en gezinnen en masse naar de stad trokken. Er was grote armoede en dito zorgen.

De figuur van Don Bosco trok hem van jongs af aan. “Zijn omgang met de jeugd, met gewone mensen. Zijn vertrouwen op God.” Heeren voelde niet voor een stap naar het buitenland, naar ‘de missie’, zoals dat toen heette.

Voor zijn bestuursfunctie werkte hij twintig jaar op een technische school in Leusden en in Amersfoort. Hij gaf er wiskunde, en na zijn priesterwijding ook godsdienst/levensbeschouwing. “Ik was er ook moderator”, een soort mentor voor de leerlingen. “Toen ik eenmaal vijftig was en in het bestuur kwam, ben ik het contact met de jeugd wel zo’n beetje kwijtgeraakt.” In het bestuur ging het nog wel vaak over jongeren. “Ik sprak meer over de jeugd dan met, dat vond ik jammer.”

Toch: de jongeren vandaag de dag zijn anders dan die van zeventig of vijftig jaar geleden, is zijn indruk. “Ze zijn meer zelfstandig geworden. Veel edelmoedigheid is er ook.” Een mindere kant die hij ziet is de vluchtigheid. “Het mag niet allemaal levenswerk zijn. Denk aan de bij, die geeft een klein beetje hier en een beetje daar stuifmeel door. Als je bezig bent met iets voor een ander te doen, hou dan vol. Als ik een advies zou mogen geven aan de jeugd, dan zeg ik, vrij naar Kennedy was het, geloof ik: ‘vraag niet wat de maatschappij en medemensen voor jou kunnen doen, maar vraag wat jij voor anderen kan betekenen’. Maar in alle eerlijkheid moet ik zeggen: ik weet nu te weinig van de jeugd.” Alhoewel: ik lees boeken over opvoeding en artikelen. Noem het nog een stukje beroepsdeformatie. En als het gaat om de mensen die in Frankeland naar hem omkijken - ja, op de schaal van Tonny Heeren is dat ook ‘jeugd’, ook al is het personeel van het huis.

Het huis waar Heeren woonde, in Rijswijk, werd gesloten. Toen kwam hij naar Frankeland, samen met enkele andere paters, onder meer de mannen die op de pastorie in Kethel woonden. “We waren toen al bejaarden onder elkaar. Sommigen gingen naar het verzorgingshuis, mij werd gevraagd de groep hier aan te vullen. Ik was toen al 83.”

Hoe bevalt het leven hem, in Frankeland? “Er zijn mensen die altijd klagen, daar leven ze van. Maar ik ben wel tevreden hoor, over de verzorging.” Wat wel lastig is in het verzorgingshuis en de aanleunwoningen: er gaan zo veel mensen dood. “Ieder jaar wel een honderd, meen ik.” Dat is niet fijn. “Maar ik word er niet droevig van hoor.”

Tonny Heeren wil ‘van binnen uit’ leven. “Ik probeer wat geluk in de wereld te brengen, door wat vriendelijkheid, wat behulpzaam zijn, een goed mens te zijn.” Niet het uiterlijk vertoon is belangrijk. “Dat kan ik ook niet. Mensen herkennen dat. Ik probeer ze hier in huis een beetje te begeleiden: probeer goed te zijn voor elkaar. Dat kan je ook zonder God zijn, al is het wel moeilijker, want een mens kan egoïstisch zijn, op zichzelf gericht.”

“Wat ik altijd doe is groeten, alle mensen. ‘Dag, hoe gaat het ermee?’ Interesse tonen. Ik zwaai ook altijd. En dat wordt gewaardeerd.” Soms zegt de verzorging: loop eens even langs bij die of die.

Nee, mensen die een hekel aan Tonny Heeren hebben zijn er niet veel, weet hij ook zelf. In de brasserie hoeft hij niemand te ontlopen. “Ik heb er een vaste plaats. Dat doe ik express. Mensen komen er even langslopen, dan maken we een klein praatje. Soms maken we een afspraak. Dan praten we over het leven, de goede en mindere dingen. Dan vraag ik: komt u bij mij, of ik bij u, of op een andere plaats?”

Aan die gesprekken is behoefte in een huis met zo veel oude mensen, weet Heeren. “Ze hebben zorgen, of vragen, of wensen.” Bijvoorbeeld over doodgaan en afscheid. “De gesprekken zijn niet altijd even leuk, maar ook niet altijd even droevig. Mensen willen weten: mag dit, kan dit? Hoe ziet u dat?”

Hoe zien zijn dagen er verders zo’n beetje uit? Veel tijd gaat zitten in het voorbereiden van de vieringen op zondag in de kapel. Hij komt dan graag goed beslagen ten ijs en bereidt ze dus uitvoerig voor. Verder zijn er zijn gesprekken, zijn wandelingen, lectuur en ’s avonds de tv, vooral het nieuws. “Om een uur of tien, kwart over tien, begin in aan naar bed gaan te denken, en dan is om elf uur het licht wel uit.” Om, zeker in deze tijden, om zes uur weer aan te knippen. “Dan begin ik met het ochtendgebed. Ik bid elke dag het brevier.” 

Nog verdere geheimen voor een lang leven? Gezond eten? “Ik probeer niet te veel suiker te eten, geen zoetigheid, weinig vet, daar hou ik wel rekening mee, zonder fanatiek te zijn. Ik ben geen geheelonthouder, maar veel drinken doe ik ook niet. Morgen, als er wijn is, drink ik mee. Bij gelegenheid.” 

Ook vandaag zal er getoost worden. Lang zal hij leven! Toch? “Ik heb een mooi leven gehad. Als Onze Lieve Heer zegt: ‘kom maar langs’, dan ben ik er. Ik heb het geloof bewaard, de goede strijd gestreden, zoals Paulus zegt. Nu wacht mij de beloning. Maar het gaat me niet om de beloning. Het is: God is liefde, hij is mijn vader, een en al goedheid. Dat is ook mijn eerste gedachte als ik opsta: Vader, goeie morgen, dank u wel.”


PS. Na het interview, waarin Tonny Heeren sprak over zijn broer, die kampte met een broze gezondheid, bereikte hem een droevig bericht. Hij was van plan binnenkort op bezoek te gaan, maar moest afgelopen zaterdag helaas definitief afscheid nemen van zijn broer.