Wonen in Nieuwland: een feest
- Han van der Horst
- 27-09-2026
- Wonen
COLUMN - Door allerlei omstandigheden was ik niet in staat het Nieuwlandfestival bij te wonen. Dat is jammer want ik ben er niet geboren maar wel getogen. Mijn ouders vlasten zeker een jaar of zes op zo´n bijzonder appartement met een geiser en een douche, maar ze kwamen pas hoog genoeg op de wachtlijst door de geboorte van mijn kleine broertje, die nu ook al weer een jaar of drie AOW krijgt.
We hadden inwoning bij opa en oma van moederszijde helemaal aan het eind van de Sint Liduinastraat op 100b. Op zondag gingen mijn ouders kijken hoe Nieuwland vorderde. Net als trouwens half Schiedam. De mensen trokken te voet en op de fiets naar de Troelstralaan en omgeving, waar de eerste flats verrezen nadat de volkstuinen beneden aan de Vlaardingerdijk waren bedekt met een dikke laag zand. Dat werd aangevoerd door een speciaal smalspoortreintje dat zijn ladingen volgens mij aan de Maas ophaalde.
De woningnood was in die dagen - de eerste helft van de jaren vijftig - even groot als tegenwoordig, wat een schril licht werpt op de verantwoordelijke regeringen van de laatste vijftien jaar waarin de VVD de toon aan gaf. Toen - meer dan zestig jaar terug - was het huizentekort niet het gevolg van slecht beleid maar van verwoestingen in de oorlog. Er bestond in tegenstelling tot nu ook nog hoop: alles zou beter worden. Dat kon je de hele dag aan het gedaver van de heimachines in Nieuwland horen. Ooit zouden ook wij aan de beurt komen, dat wist iedereen.
Op gezette tijden moest mijn moeder naar het bureau Volkshuisvesting op de Westmolenstraat om daar onze inschrijving te hernieuwen en te proberen wat hoger op de wachtlijst te komen. De regels waren streng en duidelijk tegelijk, de ambtenaren achter het loket onverbiddelijk. Je hoorde soms wel mensen vertellen dat ze naar de Westmolenstraat waren geweest om te schelden. Dat hielp niet.
Waar wachtten de woningzoekenden in concreto op? Ze wachtten op ¨bericht¨. Mijn moeder en de buurvrouwen wezen soms een voorbijfietsende man aan. ¨Hij heb bericht gehad¨.
Aan dat bericht ging bezoek vooraf van een sociaal werkster. Dat was een kordate dame die kwam controleren of je wel een ordentelijk huishouden voerde. Was de woonkamer gezogen? Was er ook stof afgenomen waar je het niet zag? Waren de kinderen gewassen of stonken zij een beetje? Werd er in dit huishouden gevloekt of juist gebeden? Je kon voor dit examen zakken. Hoe dan ook, als je netjes genoeg bevonden was, dan kwam er op den duur bericht. Je had zelf weinig keus want de gemeente probeerde in de flats mensen van hetzelfde type bij elkaar te zetten. In de lente of de zomer van 1956 kregen mijn ouders eindelijk een vierkamerflat toegewezen in de Van Limburg Stirumstraat. De gemeente plaatste daar arbeiders met een vakopleiding en mijn vader werkte bij drukkerij Steens op de Overschiesestraat als typograaf. De Burgemeester van Haarenlaan aan de kant van het spoor was daarentegen bestemd voor kantoorpersoneel. Op de Van Hogendorpstraat was ruimte voor fabrieks- en werfarbeiders. Van tuintjes voor de bewoners op de begane grond was geen sprake. Achter de flats bevonden zich grote weiden met speeltoestellen en hier en daar een zandbak. De achterbalkons waren zo geplaatst, dat de moeders van daaruit hun kinderen in de gaten konden houden en beschreeuwen. Bij de speeltoestellen waren vaak bankjes geplaatst voor de ouders. De gemeente wilde graag een sfeer van eenheid in de nieuwe wijken scheppen. Daarom gaf men aanvankelijk ook de voorkeur aan portiekflats boven galerijen. Op een galerij kende je hoogstens de naaste buren. In een portiekflat gebruikten de huurders van de verschillende woonlagen dezelfde trap. Ze moesten afspraken maken over het schoonmaken van die trap en vooral over de kelderruimte, waar voor elke flat een eigen berging met kolenhok was. Onze flat had drie woonlagen en je hoorde mijn moeder dan ook regelmatig zeggen: ¨Van de week heb ik de trap én de kelder¨. Dan schrobde ze ook het straatje naar de stoep. En in de winter ruimde ze de sneeuw in het kader van de trap en de kelder. Daar maakten de buurvrouwen precieze afspraken over. Ze zagen elkaar veel op de trap en ze onmoetten elkaar in ieder geval als de bakker langs kwam, de melkboer, de huurophaler, Guus Klepke de meteropnemer, de groentenboer, de olieboer de schillenboer en de ijsboer van Jamin, die met zijn karakteristieke bel grote beweging veroorzaakte onder de kinderen. Die riepen dan massaal: ¨Alle kinderen krijgen een ijsje.¨ Maar het was een sobere tijd en als moeder een keer peer week haar hand over haar hart streek, hadden we mazzel. Natuurlijk waren er wel die elke dag een ijsje kregen. Die kwamen dan volgens de buurtroddel uit een asociaal gezin waar met geld gesmeten werd alsof het niks was.
Ja, het was een keurige buurt met jonge gezinnen. Ik ging voor het eerst van mijn leven onder de douche. Mijn ouders hadden dat vaker gedaan, maar daarvoor moesten ze eenmaal per week naar het badhuis op de Lange Haven. Nu kon dat thuis. En in de muur zat een raar geval, dat was bedoeld voor als we ooit televisie zouden krijgen.
¨De tijden zijn nu anders¨, zei mijn vader, ¨Nu kunnen ook onze kinderen doorleren en niet alleen die van De Kuyper of De Koning.¨
Ik begreep dat ik vreselijk mijn best moest doen.