Raad van State blokkeert blokkade Decathlon niet
- Redactie
- 06-06-2016
- Winkelen
Sport moet je ervaren, sportartikelen proberen, vinden ze bij Decathlon
Die luidt letterlijk: “Gelet op de onderbouwing van de bestreden reactieve aanwijzing acht de voorzieningenrechter hetgeen is aangevoerd onvoldoende voor het oordeel dat op voorhand duidelijk is dat het besluit in zoverre in de bodemprocedure niet in stand zal kunnen blijven. Bij afweging van alle betrokken belangen ziet de voorzieningenrechter dan ook aanleiding om de verzoeken af te wijzen.”
Maar lees gerust door, mocht u willen weten hoe de vork precies in de steel zit.
De Franse sportartikelenfirma Decathlon wil een grote vestiging van zo'n zesduizend vierkante meter openen op sportpark Harga. Het grote twistpunt is of deze vorm van detailhandel zich het beste leent voor een stadscentrum of juist voor zogenaamde perifere detailhandel, buiten de stad. Achtergrond van het geschil is dat het concept van Decathlon dusdanig afwijkt van wat tot dusver bekend is in sportartikelenland, dat het niet binnen de bestaande regels lijkt te passen. Of toch wel.
Rohan Uijlings, 'Expansion Manager' bij Decathlon, legde eerder uit waarom hij zo graag op Harga zit. “Decathlon kiest er voor om zich buiten de stad te vestigen, om de ruimte te hebben voor try en buy zones.” Sportartikelen moeten getoond, gebruikt, geprobeerd worden en sporten in het algemeen gestimuleerd. Dat doe je met 'clinics', met toernooien. Dat lukt niet op de Schiedamse Hoogstraat.
Het college van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland deelt die visie niet. In zijn strijd om paal en perk te stellen aan de vestiging van grote perifere winkels, die ten koste gaan van de levendigheid en levensvatbaarheid van de stadscentra, blokkeerde het de komst van Decathlon naar Schiedam. Waar het Franse bedrijf zegt niet binnen de bestaande regels te vallen, wil de provincie daar toch aan vasthouden, zo besloot zij op 4 maart. De raad van de gemeente Schiedam en het bedrijf, gevestigd in Villeneuve-D’Ascq, en anderen maken bezwaar tegen deze zienswijze. Dat zijn dus de verzoeken waarvan in alinea twee hierboven sprake is. Zij stellen dat de provincie handelt in strijd met het recht van vrije vestiging en de interne Europese markt. Op 26 mei diende de zaak in Den Haag.
Het omstreden artikel – artikel 2.1.4, derde lid, onder a, van de Verordening ruimte 2014 – stelt dat een bestemmingsplan alleen nieuwe detailhandel buiten de stad toestaat 'in auto’s, boten, caravans, motoren, scooters, zwembaden, buitenspeelapparatuur, fitnessapparatuur, piano’s, surfplanken, tenten, grove bouwmaterialen, landbouwwerktuigen en brand- en explosiegevaarlijke goederen'. Alsook detailhandel die zich 'uit oogpunt van ruimtelijke ordening niet onderscheidt van de hiervoor genoemde detailhandel'.
De Raad van State stelt nu – in een voorlopige voorziening (=uitspraak, red.) 201602379/2 – dat de provincie terecht vasthoudt aan het feit dat het assortiment van Decathlon niet valt in bovengenoemde categorie. Volgens de raad heeft de provincie wel degelijk onderbouwd waarom zij van oordeel is dat een grootschalige detailhandel in sportartikelen zich onderscheidt van de genoemde detailhandel. “Het grootste deel van het assortiment van een dergelijke detailhandel leent zich goed voor verkoop in een centrum”, aldus het college van GS.
Overigens hadden GS gesteld dat de Raad van State het geschil helemaal niet had moeten behandelen, omdat de betrokkenen (de gemeenteraad en zelfs Decathlon met zijn verschillende werkmaatschappijen) geen belanghebbenden zijn. Echter: projectontwikkelaar Volker Wessels Vastgoed, door Schiedam in de arm genomen voor de ontwikkeling van 'Sportplaza Harga', is dat wel, aldus de Raad van State. Daarom heeft zij toch de voorlopige voorziening getroffen.
De voorzieningenrechter oordeelde ook dat het schorsen van de reactieve aanwijzing, verstrekkende gevolgen kan hebben, nog voordat uitspraak is gedaan in de bodemprocedure die nog loopt. Het zou kunnen betekenen dat er gebouwd kan gaan worden – en dan heeft de bodemprocedure daarna weinig zin meer. “De voorlopige voorziening zou daarmee in feite geen voorlopig karakter hebben”, aldus een logische staatsraad. “Gelet hierop bestaat alleen aanleiding voor het schorsen van de bestreden reactieve aanwijzing als op voorhand duidelijk is dat het besluit in de bodemprocedure niet in stand kan blijven.” Hetgeen dus volgens de voorzieningenrechter niet het geval is.
Duidelijk?