Herman Pleij vindt veranderingen in groen knollenland niet verkeerd
- Kor Kegel
- 19-05-2017
- Uit
Midden-Delfland is een waardevol cultuurhistorisch landschap, maar de Nederlanders houden door de eeuwen heen niet op alles op de schop te nemen, sprak Herman Pleij gisteren in Schipluiden
Herman Pleij had een publiek van honderden verenigingsleden uit Schiedam, Vlaardingen, Maassluis, Midden-Delfland, Delft en Rotterdam. Hij is emeritus hoogleraar historische Nederlandse letterkunde, gespecialiseerd in de literatuur van de Middeleeuwen. Maar door zijn kennis van de geschiedenis van de taal heeft hij ook verstand gekregen van het land waarin zich die taal ontwikkelde. Hij kan dan ook boeiend vertellen over de geschiedenis van Holland, Houtland, niet zo genoemd omdat het land ‘hol’ is en voor een flink deel lager gelegen dan de Noordzeespiegel, maar omdat in het Oudhollands hol naar hout verwijst (net als in het Duits).
Holland was ooit bos, maar de eerste bewoners vonden het een woest en ledig land. Het waren vooral monniken, die meenden dat God de Schepping niet had voltooid om het zijn Uitverkoren Volk te laten voltooien. Dus gingen de eerste bewoners van Holland hout winnen voor fabricage en warmte. Het veranderde het landschap. Daarna gingen ze de hoogveengebieden afgraven voor de winning van turf, wat volgens Herman Pleij in het buitenland tot grote verbazing leidde: “Jullie liggen al lager dan de zeespiegel en dan ga je het land ook nog afgraven?”
Hij noemde ook de gaswinning in Groningen. “Altijd hebben de Nederlanders met hun koopmansgeest de natuur gebruikt. We vonden de natuur wel leuk, maar het moest ook nuttig zijn.”
De Nederlanders hebben door de eeuwen heen radicaal hun landschap omhevormd, vaak noodzakelijk, om te overleven, maar vaak ook meedogenloos, zonder rekening te houden met het verlies aan vaste kenmerken voor het nageslacht. Een voorbeeld: de sloop van vele vestingmuren en -wallen in menige Nederlandse stad. Of de sloop van oude fabrieken en woonbuurten. Door die sloop kunnen we de geschiedenis niet meer teruglezen, zei Herman Pleij.
Hij kwam met grappige sfeerbeschrijvingen. Met zijn vrouw fietste hij eens een Oerbos binnen. Daar staat dan een welkomstbordje en als je erdoor bent staat er een tot-ziens-bordje “want overal in ons omgeploegde land hebben wij bordjes nodig om te voorkomen dat we verdwalen” maar zo’n Oerbos is natuurlijk niet duizenden jaren oud, het is een imitatiebos met ruiterpaden en kinderpaadjes en bordjes en dat vinden we dan natuur. Volgens Herman Pleij is alle natuur in Nederland vercultuurd. ,,De schreeuwende bloembollenvelden van Hillegom en Lisse en Goeree-Overflakkee zijn de beste bewijzen dat we de natuur hebben afgeleerd om natuur te zijn.”
Groen. Dat is de natuurlijke kleur van ons landschap. Groen is goed voor je ogen, groen is goed voor het spel en voor zaken (denk aan de biljarttafel en het groene bureau van de noaris). Groen geeft kracht, zei Pleij. Zijn allereerste herinnering gaat uit naar het kinderliedje over een groen, groen, groen, groen knollenknollenland. Maar omdat de Hollandse steden zijn ontstaan aan het water, zei hij het ‘blauw’ een minstens zo belangrijk landschapselement te vinden. Of hij echter meer waterpartijen ook voor Midden-Delfland aanbeveelt… daar was zijn lezing iets te algemeen voor. Het ging meer over de cultuurhistorische veranderingen in het Hollandse landschap dan over de betekenis van groene Midden-Delfland omringd door het dichtbevolkte stedelijk milieu in Zuid-Holland.
Herman Pleij sprak in de voormalige Jacobuskerk in Schipluiden, tegenwoordig het bezoekerscentrum van Midden-Delfland onder de naam Op Hodenpijl. De voorzitter van de Midden-Delfland Vereniging, Maassluis’ oud-burgemeester Koos Karssen, zei in zijn welkomstwoord dat het veertig jaar geleden de bedoeling van veel mensen was om Midden-Delfland te behouden zoals het was – en dat dat grotelijks is gelukt.